Iedereen maakt spelfouten, ook taaladviseurs

In het tweede jaar van mijn opleiding aan de Universiteit Leiden volgde ik het vak Norm & Taal. Het werd gegeven door drie docenten, die het beste van de opleiding Nederlands in Leiden vertegenwoordigen: Cor van Bree, Ronny Boogaart en Ariane van Santen. Dit inspirerende vak speelde een grote rol in mijn ontluikende interesse in taalnormen. Een belangrijk moment kwam vroeg in de collegereeks, toen Ariane van Santen twee emails op het bord projecteerde. Emails van haarzelf. Met spelfouten erin.

De les was duidelijk: iedereen maakt weleens een spelfout. Zelfs een hoogleraar Nederlands. Een ander bekend voorbeeld van een spelfout door een hoogleraar, dat ik al eerder heb aangehaald, is deze bekentenis van Jan Renkema, hoogleraar Tekstkwaliteit (Universiteit Tilburg):

De volgende bekentenis dient ter vertroosting van taalgebruikers die zoveel moeite hebben met de spelling. Ik doe deze bekentenis alleen in dit voorwoord dat toch door bijna niemand word gelezen. In de vorige editie stond ergens word waar wordt had moeten staan, zoals in de zin hiervoor! In de pauze van een college over al onze spellinghervormingen kwam een verlegen studente mij dat vertellen.

Dat werkt zeker verzachtend. Als Jan Renkema in een taaladviesgids al een fout maakt, dan kan het iedereen overkomen, zou je zeggen. Goed, daar zou je het bij kunnen laten. Maar ik denk dat het belangrijk is om te laten zien dat dit geen incidenten zijn. Zoals ik al eerder schreef, lees ik op dit moment de ene taaladviesgids na de andere. En in veel van die gidsen kom ik spelfouten tegen. Die wil ik in mijn blog onder de aandacht brengen. Ik doe dat niet om iemand aan de schandpaal te nagelen. Ik doe dat ook niet met het doel om mensen lekker te laten lachen. Ik doe dat om te laten zien hoe normaal het is om een foutje te maken, zelfs in boeken die expliciet bedoeld zijn om dit soort fouten tegen te houden. Ja, het is misschien slordig, zeker in een gepubliceerd boek. Maar het kan de beste overkomen, zelfs als je je werk keer op keer laat nalezen. Het overkomt mij ook geregeld.

Ik wil ook laten zien dat het maken van spelfouten niet iets is van de laatste jaren. Het zou kunnen dat er tegenwoordig meer dan vroeger spelfouten worden gemaakt in gedrukte literatuur, maar niemand weet dat zeker. Er is namelijk geen onderzoek naar gedaan. Het ‘je hoort het steeds vaker’-syndroom is hardnekkig, en deels onvermijdelijk. We lezen nou eenmaal veel meer recente kranten dan oude kranten. Maar wie eens een oude krant openslaat, die zal ook daarin best spelfouten tegenkomen.

Daarom hier alvast een paar spelfouten uit de taaladviesgidsen. Je kunt het flauw noemen, maar ik geloof dat er een wereld te winnen is. Iedereen maakt fouten. Zelfs taaladviseurs. Opvallend is trouwens wel dat de spelfouten hieronder allemaal op het oog slordigheden betreffen, waar de fout van Renkema een grammaticaal foutje is (overigens een goed verklaarbaar grammaticaal foutje).

“Aanrichten, veroorzaken, teweegbrengen in ongun-tigen zin: schade, ver-woesting” (Charivarius 1940:35)
“Zowel jij al hij kunt of kan” (Meijers 1965:147)
“Een vraag die ter zake van ‘dan’ nogal eens wordt gesteld: mag je schrijven ‘gecompiceerder als’ of móet het zijn ‘gecompliceer-der dan’?” (Kolkhuis Tanke, 1984:90)
“De oppositie heeft eigenlijk geen kans op succs. Het gaat immers goed met de eco-nomie.” (Ansems 1988:66)
“Dat wil zegggen: te helpen zorgen dat wat zij zeggen of schrijven naar vorm en betekenis optimaal overeenstemt met wat zij bedoelen” (Nieuwenhuijsen 1990:7)
“gaan Werk dit werwkoord weg uit zinnen als: Het bedrijf is van plan meer te gaan produceren. De rederij wil de Mercury dit najaar gaan inzetten in het Carïbisch gebied (De Berg 1999:252)
“Zinnen waarin twee voegwoorden naast ellkaar staan, zijn geen toonbeeld van helderheid.”(De Berg 1999:166)
“Een firewall of een viruscanner is allang geen luxe meer.” (Tiggeler 2006:81)

Taalverandering op de basisschool

Deze ochtend was ik op basisschool ‘De Wegwijzer’ in Elst, om in het kader van Onderzoeker in de Klas te vertellen over mijn onderzoek. Het was een geweldige ervaring. De kinderen deden actief mee, waren geïnteresseerd, en stelden briljante vragen. Zo hebben we een discussie gevoerd over grammaticalisatie: waarom worden sommige woorden korter, en hoe komt dat? En hoe ziet het Nederlands er over 100 jaar uit? Wat was de oudste taal die ik had bestudeerd?

In mijn presentatie legde ik eerst uit dat het Nederlands behoorlijk is veranderd de afgelopen 1500 jaar. Ik liet wat voorbeelden van teksten zien, en we luisterden naar de legendarische Han Hollander, om te zien of uitspraak ook was veranderd de afgelopen 100 jaar. Vervolgens legde ik uit hoe lexicale diffusie werkt, vanuit netwerktheorie. Die woorden gebruikte ik natuurlijk niet: ik liet een poppetje zien dat een nieuw woord bedacht, knufti. Een jongetje zei meteen: “O, dat is een hele koude knuffel.” Heerlijk. We keken hoe dit nieuwe woord zich van groep tot groep kon verspreiden, en we praatten over de verschillende netwerken waar kinderen deel van uitmaakten: atlethiek, hoornles, vriendjes in de straat.

IMG_3454
Zóó doet men onderzoek naar taal. Met een gróót gebaar!

Vervolgens gingen we naar het hart van de zaak: wat gebeurt er nou als iemand zo’n woord, of een bepaalde grammaticale constructie, afkeurt? Hoe verspreid die afkeuring zich? Ik vertelde dat hier weinig over bekend was, en dat ik hier onderzoek naar deed. Ik liet wat taaladviesboekjes zien, en we lachten samen over Haje’s voorgestelde alternatief noenzaal voor lunchroom. Vervolgens praatte ik over mijn hypotheses, dat het succes of falen van taaladvies mogelijk van veel dingen afhangt. Samen met de kinderen lette we op hoe we ademden, om dat vervolgens weer aan ons onderbewustzijn over te laten. Ook discussieerden we over de vraag, wat er zou gebeuren als ik een van hen in het zwembad zou gooien. “Ik zou zwemmen, maar niet in het meer, want dat is te koud”, antwoordde een jongetje. En we bedachten, of we iets zomaar konden koken, als we het maar één keer eerder hadden gemaakt. Zwemmen kan je, omdat je het vaak hebt gedaan, koken niet, omdat je het niet vaak had gedaan. Op deze manier liet ik zien hoe frequentie en bewustzijn een rol kunnen spelen bij taaladvies.

Nadat ik had uitgelegd hoe je corpusonderzoek doet, keken we ten slotte naar de verschillen tussen twee versies van Roodkapje (uit het onvolprezen corpus). Ik gaf groepjes twee alineas, en een aantal regels. Zo kwamen ze er achter dat sommige regels waren toegepast (oo -> o bijvoorbeeld in de spelling), maar dat er ook regels waren die níet waren toegepast. En dat er veranderingen hadden plaatsgevonden die niet in de regels stonden. Heel diep gingen we er niet op in: de kinderen wilden vooral weten of ik weleens een geslaagde taalverandering had veroorzaakt, en wat nou dat woord knufti allemaal kon betekenen.

IMG_3477
Samen onderzoeken wat er is veranderd in Roodkapje.

Sinds ik ben begonnen met mijn promotie heb ik niet zó’n inspirerende anderhalf uur gewerkt. De kinderen zogen alles op en stelden fantastische vragen. Ik vind het geweldig dat het Wetenschapsknooppunt dit soort voorlichting mogelijk maakt. Niet alleen voor mij, maar ook voor de kinderen. Die krijgen te zien hoe een wetenschapper eruitziet. Dat is dus niet altijd iemand met een witte jas die proefjes doet (dat beeld leeft heel sterk blijkbaar). Ook krijgen ze een kijkje in de keuken van onderzoek. Ik hoop dat het allemaal taalwetenschappers worden. De interesse hebben ze in ieder geval al.

Enorme dank dus aan Siebe, Jan en Sanne van het Wetenschapsknooppunt, en aan Gonneke van De Wegwijzer: ik vond het geweldig. Aan al mijn collega’s: ga dit ook doen. Goed voor de maatschappij, goed voor de popularisering van je onderzoek, goed voor jou. Iedereen wint. Voor wie geïnteresseerd is, hier is mijn presentatie.

O ja, en ik  heb ook nog met een fidget spinner gespeeld. Dat was misschien wel het hoogtepunt.

IMG_3487

N.B. Voor zover ik weet hebben alle leerlingen toestemming gegeven voor het gebruik van hun foto. Mocht iemand hier bezwaar tegen hebben, laat het me dan weten, dan verwijder ik de foto.

Nu ook op Twitter!

Liever was ik echt hip en vooruitstrevend geweest, maar omdat het moeilijk is om te Snapchatten of te Instagrammen over geschreven taal, spring ik maar gewoon even op het zinkende schip dat Twitter heet. Vanaf nu als @MartenvdMeulen op dat medium te bereiken. Tot daar!

Opvallend taaladvies (1): de beeldspraak van Haje

In deze fase van mijn onderzoek lees ik de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag iets over de gruwelijke beeldspraak van Haje.

Het woord taaladvies zegt het al: de bedoeling is om lezers advies te geven over welke taal ze wel en vooral niet dienen te gebruiken. Advies bevat altijd een afkeuring van een bepaalde vorm. Die afkeuring kan impliciet of expliciet zijn. Behoorlijk expliciet is de afkeuring in de adviezen van dr. Ch. F. Haje in zijn vroege taaladviesgids Taalschut (1932). Dat levert een schat aan afkeurende labels op. Zo kwam ik onder andere tegen:

  • onuitstaanbaar,
  • verknoeiing
  • een zwaar vergrijp tegen de taal
  • bedorven
  • Een der nieuwste baldadigheden van de taalontwrichters
  • afschuwelijk

En vele andere. Maar de mooiste veroordelingen zijn nog wel wat extremer. Lees mee en huiver:

“Rauwkost > rauwe kost is een nieuwe weerzinwekkende koppeling uit de medische martelkamer van het Nederlandsch.”

“Beduidend > Nederlands aanzienlijk, belangrijk, van beteekenis, merkelijk, aanmerkelijk, is een diep doorgedrongen germanisme. Beets en Van Lennep hadden het reeds met beduidend aan den stok. Het werkwoord beduiden, waarvan beduidend het deelwoord is, levert alléénstaande geen begrip op. Zonder een bepaling: veel, weinig, niets, geen zier, of zonder de ontkenning on – is het met beduidend mis.
Dit bejaarde germanisme beduidend werd onlangs verblijd met de geboorte van een dochter beduiding. De taal is er geenszins mee verblijd en hoopt bij het wicht op een doodsstuip.”