Lekker taalkennis naar de mensen toe

Ik schrijf niet alleen voor mijn eigen website en voor Milfje, maar zowaar ook nog wel elders. Afgelopen dinsdag verscheen bijvoorbeeld op Neerlandistiek.nl dit stuk, waarin in vertel over een recent artikel (2013, dat is nog steeds vrij recent in wetenschapsland) over leenwoorden in het voetbal. Het stuk is geschreven in het kader van de Neerlandistiek voor de klas, waar ook een nieuwsbrief bijhoort. Deze nieuwsbrief is bedoeld voor middelbare scholieren en hun docenten. Ik en andere neerlandici proberen in deze nieuwsbrief leuk en mooi materiaal te maken voor gebruik in de klas.

Hoewel het iedere maand weer iets extra is (het kost me toch minstens een dagdeel) vind ik het ontzettend leuk om te doen. Niet alleen oefen ik mijn schrijvende en kennisoverdragende vaardigheden, maar ook lees ik allerlei taalkundige artikelen die ik anders waarschijnlijk niet zou lezen.

Maar het is zeker niet alleen nuttig voor mij, het is ook leuk voor de leerlingen (hoop ik). Als ik zelf weleens lesjes gaf op middelbare (of basis-) scholen, dan merkte ik dat de belangstelling voor taal altijd groot was. Helaas wordt die belangstelling in het curriculum van het schoolvak Nederlands helaas wat mij betreft veel te weinig geactiveerd. Voor taalkunde is bizar genoeg geen plaats op school, hoeveel moedige pogingen er ook worden gedaan om mooie lesboeken te maken. Gelukkig zijn er docenten die dan maar op kleinere schaal proberen iets aan te doen. Ik kan alleen maar hopen dat deze stukjes daar een bescheiden bijdrage aan kunnen leveren.

Overigens schreef ik er tot nu toe zeven. Hopelijk worden het er nog meer.

1. Welke talen gebruiken mensen online?
2. Fout in je hoofd
3. Is er een verschil tussen Je bent aan het zeuren en Je zit te zeuren?
4. Jij of u: wanneer gebruik je wat?
5. Waarom zeggen mensen ‘hun hebben’?
6. Wie bepaalt welke taal mooi is?
7. Football of voetbal: wanneer passen we leenwoorden aan?

Ook taaladviseurs maken taalfouten (1)

Ik schreef al eerder over de spelfouten die je ook in boekjes over spelfouten ironisch genoeg kan vinden. Maar het blijft niet bij spelfouten: je komt ook weleens een regelrechte taalfout tegen in een taaladviesboek. Soms gaat het dan zelfs om een fout die de schrijver op een andere plaats expliciet afkeurt. Dat is natuurlijk nog veel ironischer dan een spelfout, en zeker de moeite van het delen waard. Maar opnieuw is het zeker niet mijn bedoeling om taaladviseurs belachelijk te maken. Ik wil alleen maar laten zien hoe snel een ‘foutje’ is gemaakt. We zijn allemaal slechts mensen.

“Beneden de grote rivieren leeft een sterker gevoel voor het woordgeslacht als daarboven.” (Wels 1988:83)

De kwestie als-dan is een van de Grote Problemen uit de taaladvisering. Er is veel over te zeggen, maar de basisregel in het Standaardnederlands luidt al langere tijd dat dan na een vergroting en als na een vergelijking komt. Hoewel hier ook wel weer schijnbare uitzonderingen op zijn: je zegt bijvoorbeeld wel “twee keer zo laag als”, hoewel daar wel sprake is van een vergroting.

Nu zijn er taaladviesgidsen die aangeven dat ‘sterker als’ best kan, maar daar wordt wel altijd de nuancering bij gemaakt dat het informeler is, en dat áls je het gebruikt, je het toch wel tot de spreektaal moet beperken. Een geval als het bovenstaande zal niet licht worden goedgekeurd.

“Als er geen zelfstandig naamwoord achter woorden als alle, vele, sommige, beide staan, krijgen ze meestal geen n maar soms wel.” (Bouman 2006:108)

De vorm van dit advies is al niet helemaal gelukkig gekozen: meestal niet maar soms wel? Gelukkig wordt dat later opgeklaard. Maar de vorm van het werkwoord staan, daar is niks van te maken: dat moet gewoon staat zijn. De vorm hoort immers bij zelfstandig naamwoord, en dat staat in het enkelvoud. De verwarring is best te begrijpen, want woorden is meervoud, en dus zou je kunnen verwachten dat het werkwoord daarmee congrueert. Maar dan zou ik willen lezen: “Als er geen zelfstandige naamwoorden achter woorden staan”. En dus klopt dit volgens mij gewoon niet. Daarnaast ervaar ik de verwijzing met ze als ongelukkig: het moet wel terugverwijzen naar woorden als etc., maar dan was volgens mij die helderder geweest.

Er is een categorie bijvoeglijke naamwoorden die wat extra aandacht verdient omdat ze zich anders gedragen dan andere bijvoeglijke naamwoorden.” (De Raat 2013:48).

Deze is een beetje flauw. Dergelijke verschuivingen komen heel vaak voor, en worden zeker niet altijd als fout ervaren. Maar ja, dat is natuurlijk met wel meer vermeende taalfouten het geval. Hier gaat iets mis met de congruentie, oftewel met de verwijswoorden die worden gebruikt. Die verwijswoorden zijn namelijk niet consequent wat getal betreft. Er is eerst sprake van een enkelvoud (er is een categorie), dat wordt bevestigd (die verdient), waarna plotseling naar een meervoud wordt omgeschakeld (ze gedragen zich). Heel begrijpelijk, op zich: het gaat om hoe de verschillende bijvoeglijke naamwoorden zich gedragen. Veel taaladvies stelt dat je in dit soort gevallen kunt kiezen om woorden als categorie, groep, aantal als meervoud of enkelvoud te interpreteren, naar gelang de nadruk die je wil leggen. Maar over het algemeen is de regel wel dat je dan consequent bent, en de hele tijd voor enkelvoud of meervoud kiest. Halverwege de zin wisselen is niet bon ton, aldus de meeste taaladviseurs. Vergelijk Van Wageningen (1946:152), die schrijft: “Bij herhaling heb ik in dit boek bij den lezer aangedrongen op consequentie, op het vasthouden aan een eenmaal gekozen vorm van uitdrukking der gedachten. Deze eisch geldt ook voor het (taalkundig) geslacht en getal.” En ook Van der Pol (1997:162): “Kies voor enkelvoud of meervoud en blijf daarin consequent. Gebruik in een zin of tekst beide vormen niet door elkaar.”

“Er zijn een aantal regels, die men vroeger angstvallig gehoorzaamde, maar die nu geen zin meer hebben, doordat ze op verouderde taalbeschouwing berusten.” (Staverman en Brandsma 1956:4).

Dit voorbeeld is verwant aan dat hierboven. Welke werkwoordsvorm moet je gebruiken na ‘een aantal’? Het is een taaladviesprobleem dat ik keer op keer tegenkom in de literatuur. Sommige adviseurs (bijvoorbeeld Timmers 2007:185-186) stellen dat ‘aantal’ echt alleen met een persoonsvorm in het enkelvoud kan voorkomen. In andere boekjes wordt een nuance gemaakt: als je het geheel wil benadrukken is enkelvoud beter, als je de nadruk wil leggen op de verscheidenheid. Dit is niet per se een nieuw sentiment: Charivarius zei tenslotte in 1940 al: “Verzamelwoorden als tal, aantal, menigte, hoeveelheid, kunnen het meervoud hebben: Een aantal ( = vele) leden waren tegenwoordig. (p.22) ” Toch lijkt deze opvatting nog steeds in de minderheid.

Maar Staverman en Brandsma zelf hebben ook iets over de kwestie te zeggen:

“Al is van een grammaticaal standpunt bezien het meervoud ‘fout’ te noemen, beide vormen zijn toch ‘goed’. Men kan hier de grammaticale en de psychologische opvatting toepassen.” (1956:10)

Aha! Dan is er dus eigenlijk niks aan de hand! Ze vinden het zelf immers geen probleem. Inderdaad gebruiken ze zelf op een andere plek in hun boek (p. 2) aantal met enkelvoud. Ze praktiseren dus wat ze zelf preken.

Promoveren is precies wat ik wil doen

Vandaag is het jaarlijkse afdelingsuitje van de afdeling Nederlands van de Radboud Universiteit. Vorig jaar was het afdelingsuitje zo ongeveer mijn eerste kennismaking met de universiteit, en sowieso met de afdeling Nederlands. Maar ook met mijn nieuwe bestaan als promovendus. Het verstrijken van zo’n jaar vraagt om enige reflectie, zeker als je zo sentimenteel bent als ik. Is dit het nou? Is het gegaan zoals ik had verwacht? Ben ik tevreden? Het antwoord is een volmondig ja.

Ik wist al van ongeveer het tweede jaar bachelorstudie af dat ik wilde promoveren. Natuurlijk had ik er toen al een andere opleiding en een aantal jaar werken op zitten. Maar toch was het vroeg. Nu terugkijkend kan ik niet precies de vinger leggen op de oorsprong van mijn verlangen. Ik had best was goede vrienden in mijn omgeving die promoveerden, en ik denk dat het idee van doorleren me zelfs toen al aansprak. Daarnaast had ik wel oren naar een situatie waarin ik betaald kreeg om werk af te leveren, maar tegelijkertijd meer kon leren over allerlei interessante ideeën. Ik werkte in die tijd namelijk ongeveer drie dagen naast mijn voltijdstudie, en had dus eigenlijk voor alles net minder tijd dan ik wilde. Het idee van min of meer zorgeloos langere tijd te kunnen besteden aan échte verdieping sprak me enorm aan.

Maar hoge verwachtingen scheppen druk. Maakt het langgewenste de verwachtingen waar? Meestal niet, is mijn ervaring. Legio zijn de boeken die me niet bevallen, niet omdat ze per se echt heel slecht zijn, maar omdat de recensies té lovend waren. De golden boy van de Franse literatuur kan alleen maar tegenvallen, een film waar iedereen lyrisch over is kan me zelden bekoren. Zeldzamer dan tanden bij een kip is de ware ingeloste belofte. Toen ik dus in in mei 2016 het verlossende telefoontje kreeg dat ik in Nijmegen mocht gaan beginnen, was ik vanaf het begin af aan op mijn hoede. Ik was bang dat dit ding dat ik al jaren wilde een gevalletje bezit-van-de-zaak zou blijken.

Gelukkig is dat helemaal niet het geval gebleken. Nu, na zo’n 10 maanden, heb ik het gewoon ontzettend naar mijn zin. Ik vind het inderdaad heerlijk om langere tijd met een project bezig te kunnen zijn, zonder dat ik na drie maanden een paper moet afhebben en daarna iets anders moet gaan doen. Ik mag interessante boeken lezen, ik kan over die boeken praten met mensen die ze ook hebben gelezen. Ik heb veel dagen het gevoel dat ik meer weet en kan dan de dag ervoor. Dat is een onvoorstelbaar fijn gevoel.

Betekent dit alles dat ik iedere dag fluitend naar mijn werk ga? Zeker niet. Er zijn dagen dat ik geen zin heb. Er zijn klusjes die ik liever arm dan rijk ben. En er zijn momenten waarop ik twijfel, aan mijn onderzoek, aan mijn kwaliteiten, aan mijn toekomstperspectief. Maar die dagen zijn verre in de minderheid. Veelvuldiger zijn de dagen dat ik opsta en niet kan wachten om aan de slag te gaan.

Een belangrijk onderdeel daarvan (zie hier het bruggetje met het uitje) zijn collega’s. Niet alleen van mijn afdeling (die ik ook hogelijk waardeer), maar überhaupt mijn collega-taalwetenschappers, ook van andere plekken. Met vrijwel iedereen (een uitzondering helaas daargelaten) kan ik praten over gekke eigenschappen van het Nederlands in het bijzonder en taal in het algemeen. Ik kan ze warm maken voor rare onderzoeksprojecten, over politieke slogans of koloniaal taaladvies. Ik kan me identificeren als lid van een groep waar ik graag lid van ben.

Het feit dat er meer promovendi om me heen zijn die met precies dezelfde problemen en uitdagingen moeten omgaan als ik is ook fijn. Dat schept een band. Maar het is meer dan dat: het zijn bijna allemaal mensen die minstens net zo gretig, hongerig en ambitieus zijn als ik. Die interessante stukken schrijven, die symposia organiseren, die naar conferenties gaan. Dat werkt voor mij inspirerend. Als iemand anders een mooie publicatie heeft, denk ik: hodie tibi, cras mihi.

Kortom: ik ben precies waar ik wil zijn. Dat is ook weleens goed om uit te spreken, en goed om bij stil te staan. Er komt misschien een dag, dat mijn moed faalt. Een dag waarop ik mijn onderzoek en mijn collega’s verzaak. Maar vandaag is niet die dag. Vandaag ben ik gewoon blij met wat ik doe. Vandaag ben ik precies op mijn plek.

Hoe doe ik onderzoek (2) Data maken

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen(bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Eerder schreef ik over temporele afbakening, vandaag leg ik uit hoe ik data maak.

Sinds vorige week maandag heb ik een nieuwe kamergenoot, een Chinese psycholinguist. Zoals dat gaat legde ik uit wat ik aan het doen was. Vol trots wees ik op het getal op m’n whiteboard: nog maar 33 boeken hoefde ik in mijn database in te voeren! Eerst keek hij me niet-begrijpend aan, maar toen ik liet zien dat ik delen overtypte sloeg zijn onbegrip al snel in ontsteltenis. Ik typte boeken over?! Was ik achterlijk? Daar moest toch een AI-oplossing voor zijn? Helaas, zei ik, was het maar zo. Maar Google Translate dan? Nee, dat werkte ook niet. Maar een promovendus hoorde toch niet zulke handenarbeid te doen? Kon ik geen studentassistenten regelen? Dat zou ik wel willen, maar die mensen kosten geld en dat is er niet onbeperkt. Op een gegeven moment trad er een Babylonische verwarring op, maar ik vrees dat ik niet heb kunnen uitleggen dat overtypen voor mij een hele normale activiteit is.

Want inderdaad: een groot deel van mijn werkzaamheden bestaat al maanden uit het overtypen van boeken. De meeste boeken hoef ik gelukkig niet echt over te typen: ik hoef ze alleen te corrigeren. Want we hebben een techniek die Optimal Character Recognition heet (OCR voor vrienden). Met die techniek kun je van een foto een doorzoekbaar tekstbestand maken. Ik maak dus scans van pagina’s, die draai ik door Abbyy Finereader (schaamteloze reclame), en dan heb ik tekst. Dat maakt mijn leven héél veel makkelijker, maar niet perfect. OCR is namelijk verre van perfect: afhankelijk van de kwaliteit en de leeftijd van de bron moet ik meer of minder corrigeren. OCR kan namelijk niet omgaan met vlekjes, voegt spaties toe, en verandert sommige letters. Nu zou je daar misschien regels voor kunnen formuleren, om zo postcorrectie automatisch te doen. Iets wat bijvoorbeeld vaak fout gaat, is dat een ij een y wordt. Maar dat wordt vaak, daar zit ‘m de grap: die veranderingen vinden niet altijd plaats. Het hangt er vanaf hoe de staat van de bron is, en zelfs dan gaat het soms op voor mij verrassende momenten fout. Een handmatige check is dus onontkomelijk.

En naast de fouten van OCR zijn er nog aanpassingen die ik bewust wil doen aan mijn bronmateriaal. Mijn doel is om een doorzoekbare database te maken van taaladvies. In eerste instantie is die alleen voor mezelf, want op veel werken zit nog copyright. Van het Bridging the Unbridgeable-project uit Leiden weet ik hoeveel tijd er gaat zitten in het verkrijgen van toestemming om een deel van zo’n werk toch openbaar te maken, zelfs achter een wachtwoord. Hoe graag ik dus ook mijn data wil delen, dat mag in ieder geval deels niet. Hoe dan ook, ík moet wel door de database kunnen zoeken. Dat wil ik deels automatisch kunnen doen, door (simpel voorbeeld) een woord in te typen en dan alle gevallen terug te krijgen van dat woord. Dan is het wel handig als ik sommige dingen in de tekst oplos. Spatiëring bijvoorbeeld: dat is o n h a n d i g als je een zoekopdracht formuleert. Maar ook woordafbreking en afkortingen los ik op. Zo krijg je dus geen natuurgetrouwe database van het taaladvies, maar wel een waar ik het optimaal mee kan werken. Dat is hier het belangrijkst.

Het is de realiteit voor de historisch taalkundige, dat helaas niet alle bronnen die je zou willen doorzoeken digitaal beschikbaar zijn. Je moet dat voor een deel zelf invoeren. En uiteindelijk: is het erg, om zo veel van mijn bronmateriaal door te moeten lezen? Ik denk het niet. Ik leer het spul heel intiem kennen. Dat is ook zeker wat waard, zeker in een tijd waarin we door het gemak van digitale tools soms ver van de rauwe data blijven. Ik ga in de toekomst ook zeker technieken gebruiken waarmee ik meer afstand neem van mijn materiaal, maar ik heb dat materiaal nu wel heel goed in de vingers. Dat stelt me later in staat (hopelijk) de juiste vragen te stellen aan de techniek. Voor nu type ik onverstoord verder. Toen ik dit stukje begon moest ik er nog 33, nu nog 30. Leve de voortgang der wetenschap!

Hoe doe ik onderzoek (1) Temporele afbakening

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen (bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Vandaag direct een belangrijke kwestie: temporele afbakening.

In de grond is mijn onderzoek een comparatieve studie. Op het meest elementaire niveau komt mijn werk op het volgende neer: ik neem twee collecties data. Die vergelijk ik, en ik probeer relaties tussen ze te identificeren. Vervolgens probeer ik die relaties of het gebrek daaraan te verklaren. Dat klinkt heel simpel, en op dit niveau is het dat ook. Maar als je inzoomt zijn er natuurlijk allerhande moeilijkheden en methodologische kwesties. De eerste kwestie die ik moest oplossen, maar waar ik blijvend mee bezig ben, is afbakening.

In fase 1 bestudeer ik de ontwikkeling van taaladvies in de 20e eeuw. Kijk, daar heb je al meteen minstens twee afbakeningsproblemen. Ten eerste is er het punt van de 20e eeuw. Een temporele afbakening is een lastig iets: wat is logisch? In mijn onderzoeksvoorstel staat dat ik onderzoek doe naar de periode 1805 tot nu. Dat is om meerdere redenen een logisch punt. Ten eerste situeert Daniel Baggioni (geciteerd in Burke 2004:10) een van zijn ‘ecolinguistic revolutions’ (grote omwentelingen in de taal in Europa) in 1800 (de andere twee zijn in 1500 en 2000). Het is natuurlijk ook historisch een belangrijk moment, zo na de Franse Revolutie. Meer specifiek kwamen in 1804 en 1805 de officiële spelling van Siegenbeek en de officiële grammatica van Weiland uit. Een officiële spelling zou niet zo bijzonder blijken, daarvan zijn er inmiddels nog wel een paar verschenen. Maar een officiële grammatica, daarvan is de Nederduitsche Spraakkunst van Petrus Weiland de laatste.

Het feit dat de grammatica van Weiland officieel door de Nederlandse staat erkend is, geeft ook theoretisch een mooi ijkpunt. Het past namelijk mooi in het theoretisch model over taalstandardisatie van Milroy en Milroy (2012:22-23). Hierin is ‘codificatie’ het een-na-laatste stadium, waarna het laatste stadium, prescriptivisme, volgt. Simpel gezegd is codificatie het moment waarop de regels van een taal expliciet worden vastgelegd, en is prescriptivisme het stadium waarin de ‘officiële’ normen vervolgens worden herhaald en gehandhaaft. Je zou kunnen beargumenteren dat dit laatste stadium aanbrak met de publicatie van Weiland’s grammatica. Dat was immers het moment van codificatie. Let wel: dit betekent niet dat de standaardtaal toen ook door iedereen (of zelfs door een minderheid van mensen) werd gebruikt, maar wel dat er een vastgelegde norm was met een bepaalde officiële status. Overigens: hoe de norm van Weiland en Siegenbeek zich verspreidde is een fascinerende vraag, waar gelukkig in het Leidse Going Dutch-project onderzoek naar wordt gedaan.

1805 leek dus een mooi moment om te beginnen. Helaas bleek dat toch om twee redenen geen haalbaar idee. De eerste reden was de omvang van het onderzoek. Ik ben nu een maand of 10 bezig met het in kaart brengen van taaladvies, maar ik ben nog nauwelijks begonnen met de 19e eeuw. Als ik daar nu nog mee aan de slag zou gaan, dan ben ik een onevenredig deel van mijn promotietraject kwijt aan het in kaart brengen van taaladvies. Maar ik wil niet alleen beschrijven: ik wil verder! Ik wil verklaren, ik wil begrijpen. Het is een vervelende keuze, maar een waar ik niet aan ontkom: ik moet verder.

De tweede reden is dat de aard van taaladvies anders lijkt te zijn in de 19e en de 20e eeuw. In de 19e eeuw (en eerder) verschenen er vooral normatieve grammatica’s: die bevatten beschrijvingen van het Nederlands als systeem, met her en der een uitspraak over wat goed en fout is. Vanaf het begin van de 20e eeuw echter (een 19e eeuwse uitzondering zoals Siegenbeek 1847 daargelaten) begon er een ander type taaladvies te verschijnen. Daarin werd veel meer gefocust op juist die specifieke stukjes taal waar men ongewenste variatie tegenkwam. De vorm veranderde. Ik wil me op die traditie richten. Ik weet dat die voortkomt uit eerder werk, maar nogmaals: ik kan niet alles doen. De taaladviestraditie in de 20e eeuw is nauwelijks als zodanig bestudeerd. Daar ligt dus nog interessant materiaal voor mij.

Er is dus wel iets te zeggen voor de keuze om het begin van mijn project in 1900 te leggen. Inmiddels heb ik in overleg met mijn promotors dan ook besloten me hier op te richten. Na één luttel jaar heb ik dus al een hele eeuw van mijn onderzoeksobject geschaafd. Ik denk dat het een goede keuze is, maar het lijkt wel radicaal. En je kunt er, denk ik, zeker kritiek op hebben. Dat kun je denk ik altijd hebben op methodologische keuzes. Ik denk echter dat ik me de keuze kan verdedigen. Uiteindelijk leidt dit me naar een beter proefschrift en beter afgebakend onderzoek. En dat is tenslotte het doel.