Op en top Nederlands (1937): ’s Neerlands vreemdste taaladviesgids

Het afgelopen jaar heb ik een kleine 400 werken bekeken, die mogelijk taaladvies bevatten. Lang niet allemaal hebben ze hun plaats in mijn corpus verworven: dat gebeurt alleen onder bepaalde methodologische omstandigheden (waarover elders en later meer). De werken die het tot onderzoeksobject hebben geschopt zijn zeer uiteenlopend van aard: van woordenboeken tot meer essayistische boeken, geschreven door mannen of vrouwen, boos van toon of begripvol. Maar onder al deze werken is er één dat zó afwijkend is, dat het z’n eigen bespreking verdient. Het gaat hier om het boekje Op en top Nederlands : opsomming van woorden, waar het veilig is een keuze uit te doen zonder vrees een lelijk germanisme te bezigen (1937).

Taaladviesliteratuur

Boeken die zich bezighouden met taaladvies hebben over het algemeen een bepaalde insteek en omvang. Zoals de Australische taalkundige Pam Peters het stelt bestaat taaladvies over het algemeen uit

“a miscellany of linguistic cruces including spelling, pronunciation, lexical semantics, collocation, and grammar, which are mostly treated in isolation, without systematic appraisal of their place in the language” (2006:761)

De focus ligt dus op probleemgevallen (samenraapsel van moeilijkheden zou een adequate vertaling zijn). Advies wordt gegeven over die gevallen waar variatie bestaat, en waarbij een deel van de variatie ongewenst is. Die probleemgevallen worden als geïsoleerde gevallen behandeld, dus zonder een uitgebreide verhandeling over de taal als systeem waarin de fouten slechts bijkomstigheid zijn. Hierin verschilt het gemiddelde taaladviesboek van de normatieve grammatica, maar dat is een theoretische kwestie voor een ander moment. Ook voor een ander moment is een overzicht van alle verschillende manieren waarop taaladviesschrijvers met de materie omgaan.

Anders

Zoals de titel al doet vermoeden is echter alles anders bij Op en top Nederlands: opsomming van woorden, waar het veilig is een keuze uit te doen zonder vrees een lelijk germanisme te bezigen. Hier worden juist woorden genoemd die wél goed zijn. Dat is stevig ongebruikelijk, maar in principe zou het niet per se vervelend kunnen zijn. Helaas is het echter wel ingewikkeld. Een dergelijke insteek is namelijk erg lastig voor het gebruik. Normaliter werk je met een taaladviesgids door iets op te zoeken waarvan je weet dat het weleens problematisch is, maar waarvan je even niet meer weet welke vorm nu de juiste is. Overigens is de manier waarop mensen omgaan met taaladvies heel interessant, en is er nauwelijks iets over bekend (voor zover ik weet), maar ook dat is iets voor een andere keer. Voor nu is het genoeg om te zeggen dat de aanpak van Op en top Nederlands problematisch is. Stel dat je twijfelt over een woord, dan staat er lang niet altijd in of het ook daadwerkelijk een germanisme is. Je kunt er namelijk niet vanuit gaan dat als een woord er niet in staat, het automatisch fout is.

De vraag is namelijk of in dit werkje van iets meer dan 200 pagina’s dan dus álle woorden staan die goed zouden zijn in het Nederlands. Die suggestie wordt in ieder geval gewekt: dít zijn de woorden die sowieso geen germanisme zijn. Maar dat is alvast niet waar: tot niemands verrassing zijn er ontzettend veel woorden in het Nederlands die niet in het boekje staan. Vrij gangbare woorden als fornuis, eik, beker, jij, hart en vele andere staan er niet in. Sowieso zou het ook een vreemd uitgangspunt zijn: het verzamelen van ‘alle’ woorden is iets voor het woordenboek, en daar staat vaak al bij of een woord een germanisme is.

Twijfel

Als een woord niet in het boekje staat, is het dus niet automatisch fout. Dat is een lastig uitgangspunt. Het zou ook kunnen dat de schrijver bedoelde om al die woorden bijeen te brengen waarover twijfel zou kunnen bestaan. Dit uitgangspunt lijkt te worden gesuggereerd in het “Een woord achteraf” (nawoord is natuurlijk een germanisme):

(… )zijn in dit boekje bijeen gebracht de woorden en vormen (…) ten aanzien waarvan er reden is te veronderstellen dat zij niet zijn ontleend aan het Duits. Indien zij dus gelijken op Duitse vormen, in overeenkomstige betekenis gebezigd, ligt het voor de hand te geloven dat zij zowel in het Nederlands als in het Duits zijn ontleend rechtstreeks aan een derde taal, en dat zal meestal de gemeenschappelijke Noordse taal zijn, waar zowel de Hoogduitse als de Vlaams-Fries-Engelse groep van afkomen. (p. 213)

Maar als dit het geval is, dat hier alle woorden instaan waar twijfel over zou kunnen bestaan, dan is het vreemd dat het boekje woorden als hut (Duits Hütte) of eik (Duits Eiche) niet bevat. Daar zou tenslotte ook twijfel over kunnen bestaan, op basis van vormgelijkheid.

Alfabetisering

Er is nog een ander element heel vreemd aan Op en Top Nederlands. Kijk even naar de twee onderstaande pagina’s: het zijn pagina 67 en 68 van het boek.

Screenshot 2017-10-17 10.42.39.png

Als we kijken naar de aanwijzing voor de inhoud (slu-sme en sli-slu), dan valt op dat de woorden in andersomme volgorde worden gepresenteerd. Met andere woorden: het boek is van Z tot A geordend. Het eerste woord linksbovenaan de eerste pagina is zwem door, het laatste woord rechtsonderaan de laatste pagina is aanplakking. Maar wacht:  het woord aai komt voor, net als het woord zijwaarts. Dat zijn alfabetisch gezien de eerste en laatste woorden van dit boek, maar niet de eerste en laatste gedrukte. De indeling is namelijk binnen iedere pagina wél van A naar Z.  Dat levert dus afbrekingen op zoals hierboven: een lemma dat onderaan rechts nog niet af is, gaat links bovenaan verder. Ongelooflijk verwarrend.

Ik kan geen enkele reden bedenken waarom een schrijver of uitgever dit zou willen doen. Ik ben het in geen enkel ander taaladvieswerk tegenkomen. Sterker nog, ik kan me niet herinneren het ooit in welk werk dan ook te zijn tegengekomen. Is het gewoon een inbindfout? Misschien dat er woordenboekmakers zijn die dit kennen, misschien is het een gangbare hoewel zeldzame manier van indelen. Ik hoor het graag!

Opvallend taaladvies (5): meer beeldspraak!

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag nog weer iets over de schitterende beeldspraak die ik tegenkom.

Eerder schreef ik al eens over de beeldspraak bij Haje. Hij gebruikt nogal kleurrijke vergelijkingen om taalvormen af te keuren. Hij is echter zeker niet de enige (hoewel er wel ook weer een voorbeeld uit zijn pen is!). Anderen doen het net zo goed, en verzinnen ook vreemde vergelijkingen. Lees mee en huiver.

Chemiker evenals techniker, vooral in tandtechniker, logiker, praktiker exemplaren uit een duitsch houtenklazengesticht. Het Nederlands aanvaardde technicus, chemicus enzovoort. Technist, vergelijk chemist, had geen bezwaar gegeven.
Wij bevelen den taalbeulen nog bloemikers en drogikers aan.(Haje 1932)

Psychologen mogen trachten de verklaring ervan te geven, maar het is een feit, dat vele mensen, die in het dagelijks leven de traditionele “zachtmoedigheid van het lam” vertonen, ware bestieën van wreedheid worden, zodra zij aan het schrijven gaan, en zich dan niet ontzien, een levend mens op de snijtafel te leggen en in mootjes te verdelen!”(Van Wageningen 1941:58)

Een zeer ouwe, droge, taaie koe uit een sloot vol haat is groter dan of groter als. (Veering 1959:114)

‘Via is een machtige woekerplant geworden.” En een pagina later: “Op de via-song zullen we maar het lievelingschanson ‘er­gens’ laten volgen.” (Dezaire 1964:172-173)

Een iets ander voorbeeld kwam ik tegen in Damsteegt 1964 (8). Het gaat me hier niet om de afkeuring zelf, maar om de geweldig oubollige voorbeeldzin.

Afwezig. In de betekenis ‘verstrooid’, ‘peinzend’, ‘mijmerend’ een gallicisme of anglicisme (Eng.: absently, absent-minded); niet juist is dus:

Hij zat met een afwezig gezicht voor zich uit te staren.
„Je leutert”, zei Duke, terwijl hij afwezig een rumboon in z’n mond stak.

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit niet uit een of andere roman komt, maar ik heb tot nu toe geen geluk gehad. Mocht iemand me uit de brand kunnen helpen door de bron te kennen, dan graag. Mijn zoekopdracht leverde namelijk een … interessant alternatief op.

Screenshot 2017-10-05 18.31.02

Postscriptum Het vreemde woord bestieën dat Van Wageningen gebruikt lijkt een germanisme: Duden noemt bestie – roofdier, onmens. In het Nederlands lijkt dit woord met een aan hapax grenzende zeldzaamheid voor te komen (dank Gaston voor het bemerken van de vreemdheid van dit woord).

Opvallend taaladvies (4): vroeger fout, nu goed

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag iets over woorden die vroeger fout waren maar waar nu niemand meer van opkijkt.

Een interessante vraag, waar voor zover ik weet nog geen antwoord op is gegeven, is of grammaticaal taaladvies hetzelfde blijft. Het vlugge, oppervlakkige antwoord dat ik nu durf te geven, op basis van mijn leestocht door meer dan honderd 20e-eeuwse taaladviesgidsen, is “ja, min of meer”. Er is een groep taalproblemen die keer op keer herhaald wordt: wat/dat, wiens/wier, hen/hun, etc. In het Engels heten zulke taalgebruiksproblemen old chestnuts. Wij hebben het helaas nog niet over oude kastanjes, hoewel dat heel aardig klinkt.

Ik verbaas me er best vaak over dat veel nieuwe taaladviesboeken doen alsof ze iets nieuws over een kwestie te melden hebben. Dat is zelden het geval. Ook verbaas ik me over de consument van deze boekjes. Je kunt tweedehands inmiddels allerlei taaladviesboeken kopen waar vrijwel hetzelfde instaat als in nieuwe publicaties. En toch blijven er nieuwe gidsen verschijnen. Is dat in het kader van ‘nieuw is altijd beter’? Misschien is het omdat er wel één vrij belangrijk element van het taaladvies lijkt te veranderen: de argumentatie. Daarover een andere keer meer.

Wat betreft woorden is er al wel eerder de aandacht gevestigd op gevallen die vroeger werden afgekeurd maar die nu vrij algemeen worden geaccepteerd. Het is dus zeker niet nieuw wat ik zeg. Maar ik denk dat het nuttig blijft het te herhalen: er zijn heel veel woorden die we nu zonder problemen gebruiken, maar die vroeger werden afgekeurd. Dit laat twee dingen goed zien: ons gebrek aan historisch besef, en de tijdgebondenheid van de afkeuring van barbarismen.

Daarom hier nog maar eens een lijstje. Zijn er woorden bij die toch als ‘fout’ worden ervaren? Ik hoor het graag!

Theepot, rauwkost, kostprijs, nieuwbouw, meningsverschil, nutsbedrijven, liefdesbrief, ansichtkaart, boemeltrein (liever sukkeltrein), slagroom, aanhangwagen , hakenkruis, Japanner (liever Japannees), meemaken, naslagwerk, omgeving, omstreden, pluimvee, beïnvloeden, gratis, voltreffer, schijnwerper, vorig jaar, zwarthandelaar, rolschaats, zelfbestuur, lustmoord (liever (?) seksuele moord), zeewaardig, toelaatbaar, inburgeren, brokstuk, daadwerkelijk, muilkorf, gegevens, bestek, kleinkunst, levertijd, opname (in het ziekenhuis, liever opneming), waardepapieren, loonplafond, folder, eenmalig, hoogwaardig, omstreden, provisorisch, je reinste onzin, alleenrecht, doelbewust, stekker, knalrood, komisch, koningspaar, loper (in schaken, liever raadsheer), meerwaarde, omwisselen, omgeving (liever: de mooie omstreken van Haarlem), vanaf 1 januari (moet zijn van 1 januari af), verkapt, succesvol, er het beste van maken, arbeidsongeschikt, slagzin, wereldwijd, de hoogste tijd, hoogglans, getalenteerd, muisstil, blikopener

Bronnen:  Siegenbeek 1847, Anoniem 1917, OnzeTaal 1932, NRC 1935, Van Wageningen 1946, Dezaire 1964