Ere wie ere? Samenwerking in academia

Gisteren kreeg ik een mailtje van een collega, met wie ik een aantal jaar geleden een persoonlijk conflict had. Ik had deze collega recent om toegang tot een database gevraagd, maar dat weigerde deze. Een van de argumenten hiervoor was dat we eerst eens moesten praten, nu we toch op een bepaalde manier gingen samenwerken. Ik was hier behoorlijk verbaasd over: is het gebruikmaken van iemands database een vorm van samenwerken? Deze vraag vormde een mooie aanleiding om eens te reflecteren op de verschillende aspecten van samenwerking in academia.

Samen is meer is beter

Laat ik vooropstellen dat ik samenwerking, academisch of anders, een van de leukste dingen op aarde vind. Echt waar. Je product wordt er bijna altijd beter op, het is gezellig, het is inspirerend, het geeft enorm veel energie. Ik schrijf nu bijna 5 jaar met Sterre Leufkens bijvoorbeeld, aan Milfje en aan verschillende andere dingen (interviews, boeken). Wat begon als lollig samen verhaaltjes schrijven heeft zich zomaar ontwikkeld tot een van de belangrijkste en vruchtbaarste relaties die ik ooit heb gehad. Op academisch vlak zijn er mensen als Folgert Karsdorp en Viktorija Kostadinova, met wie ik aan fijne papers heb gewerkt, en die me om onduidelijke redenen echt serieus nemen. Recent heb ik aan een projectje over slogans gewerkt met mijn hilarische collega’s Joske Piepers, Sander Lestrade en Peter de Swart, en er staan plannen op stapel voor komend jaar met mensen als Nicoline van der Sijs en Roel Smeets. Ik wil maar zeggen: ik ben echt enorm gelukkig dat ik kan samenwerken met geweldige academici.

Dat ik samenwerken zo leuk vind heeft iets ironisch. Het academische leven is namelijk zeker niet een grote aaneensluiting van samenwerkingen. Sterker nog, je werkt volgens mij een stuk meer alleen dan samen. Ik heb het afgelopen jaar bijvoorbeeld eindeloos in catalogi boeken opgezocht, in benauwde ozonhokjes gescand, en achter m’n laptopje data in bestandjes gepropt. Alleen. Tot op zekere hoogte is dit de norm: uiteindelijk staat dat proefschrift op mijn naam, dus ik moet het werk ervoor doen. En weet je wat het raarste is: ik vind het niet eens erg. Hoewel het eenzame studeren een van de redenen was dat ik besloot een punt te zetten achter mijn muziekcarrière, vind ik het nu vaak heerlijk om lekker een dag alleen op m’n kamer te zitten zwoegen zonder een mens te spreken. Maar dat geheel ter zake.

Ere wie ere

Wat wel lastig is aan al dat samenwerken is hoe je omgaat met de credits. Toekenning van eer is een van de belangrijkste pijlers van de wetenschap (de andere lijkt me peer review), maar er zijn geen strak omlijnde protocollen om je aan te houden. Grofweg kun je credits op drie manieren toekennen: door een auteurschap, door een citatie, en door een plaats in de acknowledgements of het dankwoord. Die laatste vorm is vaak vooral een gebaar: in een academisch artikel staat ergens in een voetnoot dat die en die je hebben geholpen met feedback bijvoorbeeld. Het is leuk, maar je hebt er academisch gezien niks aan.

Aan een auteurschap daarentegen heb je wel wat. Je deelt dan de credits voor de productie van bijvoorbeeld een artikel. Je kunt iemand een auteurschap geven wanneer diegene echt actief heeft meegewerkt aan het product, door mee te schrijven of te denken, of door een experiment af te nemen. Hoeveel je daarvoor precies moet doen is echter onduidelijk, en wisselt bovendien enorm per vakgebied. Ik ken wel voorbeelden waarbij een hoge pief op een paper wil, ook al heeft hij nauwelijks iets gedaan. In sommige vakgebieden is het bovendien gebruikelijk bijvoorbeeld je promotor altijd op te voeren, opnieuw ook in situaties waarin diegene niks heeft gedaan. Het is een moeras: niet zomaar iedereen opvoeren, maar ook belangrijke bijdragers niet vergeten.

De derde vorm van credits is makkelijker: je kunt gewoon zeggen dat iemand anders al iets heeft gedaan, en dan zit je goed. Ik doe het zelf heel veel in deze blogs, en ook in artikelen. Je hoeft de mensen die je citeert niet te kennen, je hoeft ze niet gesproken te hebben, ze hoeven niet van je bestaan te weten, ze kunnen zelfs dood zijn. Dat is best een vreemd uitgangspunt, maar het is wel een manier om erkenning te geven aan anderen die aan jouw onderwerp hebben gewerkt. Zeker omdat je als academicus soms wordt afgerekend op citaties is dit ontzettend belangrijk. Maar van een samenwerking is in dit geval geen sprake.

Is data delen samenwerking?

En daarmee komen we terug bij de eerste vraag: is het delen van data een vorm van samenwerking? Dat hangt er maar net vanaf. Stel dat ik helemaal in mijn eentje een experiment draai en analyseer. Als iemand anders dan mijn data wil gebruiken, dan kan er sprake zijn van een samenwerking. Maar daar gaat het om dit geval niet om. Het gaat hier om een verzameling bronnen, die allemaal los beschikbaar zijn, maar waarvan een deel in een database is gestopt. Die database is gewoon online beschikbaar, met de expliciete doelgroep ‘andere onderzoekers’. Ik werk best veel met dit soort databases, en de vorm van eertoekenning heb ik altijd vrij eenvoudig gedaan: nummertje 2, een citaat. Maar niet iedereen denkt er blijkbaar zo over, en bij gebrek aan strakke regels is dat misschien niet zo gek. Ik kan er best begrip voor opbrengen dat het steekt als jij ergens hard voor hebt gewerkt, terwijl iemand zomaar met jouw harde werk aan de slag gaat. En toch: zo is het wetenschappelijk bedrijf ingericht.

Argumentatie en taaladvies (1): autoriteit

De afgelopen maanden heb ik me vooral beziggehouden met het in kaart brengen van grammaticaal taaladvies in de twintigste eeuw (waar ik al wel een of twee keer over schreef). Maar ik heb niet alleen leuke voorbeelden gevonden, of de ontwikkeling van germanismen bekeken. Ik heb ook een onderzoek gedaan naar de argumentatie die in taaladvies wordt gebruikt. Daar is namelijk allerlei interessants over te zeggen. Het grote probleem: niemand heeft ooit echt gelijk, want er is geen waarheid. Wat betreft welke taal goed en fout is zijn er alleen argumenten die meer of minder belangrijk worden gevonden. En dus gebruiken verschillende mensen verschillende argumenten om hun taaladvies te onderbouwen. Een daarvan is autoriteit.

Het klinkt misschien rellerig, zeggen dat niemand gelijk heeft. En toch is het zo. Er is geen enkel argument dat definitief de doorslag geeft in welke taaladvieskwestie dan ook. Het is namelijk een behoorlijk geaccepteerde taalkundige theorie dat er geen inherente eigenschap is die bijvoorbeeld ‘groter als’ beter maakt dan ‘groter dan’. Net zomin als ‘dog’ een beter woord is dan ‘hond’ om onze viervoetige vriend aan te duiden. Je kunt wel beredeneren waarom je het een beter of geschikter vindt, maar uiteindelijk blijft dat een mening. Geloof je mij niet, dan kun je altijd lezen wat Marc van Oostendorp laatst over de kwestie schreef.

Een van de manieren waarop je je oordeel over een kwestie kunt onderbouwen is door steun te zoeken bij een autoriteit. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: “Wat in het woordenboek staat is de norm, en dus houd ik me aan de norm van het woordenboek”. Dat doet Mesters bijvoorbeeld wanneer hij over woorden op -matig, -loos en -vol zegt: “Raadpleeg het woordenboek” (1954:61). Maar die autoriteit is niet voor iedereen zo absoluut. De Raat zegt bijvoorbeeld, in haar bespreking van overnieuw:

“Officieel is ‘opnieuw’ het juiste woord. ‘Overnieuw’ is ontstaan uit ‘over’ en ‘opnieuw’ en is dus een contaminatie. Het woord is echter zo ingeburgerd dat weinigen er nog over vallen. Van Dale denkt daar een beetje anders over. De redactie van het woordenboek heeft ‘overnieuw’ wel opgenomen, maar erbij gezet: gewestelijk. In woordenboekentaal betekent dat: niet in de algemene taal gangbaar. Nu lijkt me dat overdreven, gezien de frequentie waarmee ‘overnieuw’ wordt gebruikt.” (2013:63)

De Raat is het oneens met wat Van Dale zegt. En dat is prima: De Raat en Van Dale hebben evenveel recht op hun mening. Want dat is het: een mening. Je kunt die wel onderbouwen, maar een waarheid wordt het nooit. Overigens zijn er nog twee interessante opmerkingen te maken over het oordeel van De Raat. Ten eerste zegt ze dat opnieuw ‘officieel’ het juist woord is, maar zegt ze niet wie dat bepaalt. Ten tweede kent ze ook zelf autoriteit toe, maar dan aan een andere groep: de massa. Ze impliceert dat overnieuw acceptabel is, omdat heel veel mensen het gebruiken (ze gebruikt nog wat andere argumenten, maar die behandel ik een andere keer).

Het toekennen van autoriteit aan de massa komt vrij veel voor in het Nederlands. Zoals ik al eerder opmerkte komt dit argument vooral onder taalkundigen veel voor. Zij zeggen: “Het gebruik bepaalt, en als iedereen het goed vindt, dan is het dus goed”. Dit is natuurlijk hartstikke prescriptief: je schrijft wel degelijk voor wat juist is, je geeft er alleen een ander argument voor. Maar dat geheel terzijde.

Andere autoriteit

Een paar andere vormen van autoriteit worden nog erkend als onderbouwing voor taaladvies. Je kunt bijvoorbeeld een vorm goedkeuren omdat een grammatica of een grammaticus zegt dat het goed is. je kunt bijvoorbeeld zeggen: “Dit is goed omdat de Algemene Nederlandse Spraakkunst zegt dat het goed is”. En je kunt ten slotte ook de autoriteit leggen bij een bepaald persoon of bij een groep mensen. “Dit is goed omdat Shakespeare zegt dat het goed is”, of “Dit is fout omdat moedertaalsprekers zeggen dat het fout is”.

Voorkomen

Zoals ik al eerder schreef heb ik onlangs een set 20e-eeuwse taaladviezen geannoteerd voor argument. Daaruit bleek onder andere dat germanisme als argument niet meer zo salonfähig is. Ik heb ook voorbeelden van de verschillende autoriteiten geprobeerd te vinden. Wat bleek: toekenning van autoriteit aan een persoon of groep personen komt nauwelijks voor in Nederlands 20e-eeuws taaladvies. De andere drie typen argumenten (woordenboek, grammatica, massa) komen wel met enige regelmaat voor. Voorbeelden zijn respectievelijk:

“Als je wilt weten of een zelfstandig naamwoord vrouwelijk of mannelijk is, pak je het woordenboek, het Groene of het Witte Boekje erbij.” (Weverink 2012:47)

“Veel deskundigen vinden daarom het gekunstelde onderscheid tussen hun en hen achterhaald.” (Halink et al 1993 s.v. hen/hun)

“Maar moet ook ‘een aantal’ altijd gecombineerd worden met een enkelvoudige persoonsvorm? Veel mensen vinden van wel.” (Kooijman 1997:7)

In totaal werden autoriteitsargumenten in 8% van de gevallen gebruikt. Dat maakt het een behoorlijk marginale groep argumenten, binnen het taaladvies. Andere argumenten komen en kwamen veel vaker voor. Het is natuurlijk enorm verleidelijk om dit te koppelen aan een soort culturele eigenschap van de Nederlander, kijk ons eens lekker onze eigen weg gaan. Maar er is nauwelijks onderzoek gedaan naar argumentatie in taaladvies in andere talen. Of wij dus uniek zijn, dat kunnen we niet zeggen. Wel kunnen we zeggen dat bij het beargumenteren van goed en fout in taal autoriteit geen hele grote rol speelt.

Taaladvies in de 20e eeuw (1): de verdwijning van het germanisme

Ik las alle taaladviesboeken die ik kon vinden. Ik legde een database aan van de problemen die in de relevante boeken stonden. Nu is het tijd voor analyse: hoe ontwikkelde taaladvies zich in Nederland in de 20e eeuw? Vandaag wil ik het hebben over de ontwikkeling van germanismen. Spoiler alert: de afkeuring verdwijnt.

In een recente post stelt Marc van Oostendorp dat mensen geen germanismen meer kennen. Hij baseert zich op een leuke tweet, waarin iemand zegt “Dat heb je niet vaak, een Duitse anglicisme (ik weet het woord er niet eens voor) #grappig”. Opvallend dat er dus minstens één iemand is die het woord germanisme niet eens kent. Veel zegt dat nog niet: er zijn ook woorden die ik niet ken. Er is wel aanvullend bewijs voor de vervaging van de kennis van germanismen. Zo schreef ik in 2012 een paper (samen met de onverzettelijke Jasper Spierenburg) over de mogelijk correlatie tussen de herkenning van leenwoorden en afkeuring van die leenwoorden. Mensen bleken Duitse leenwoorden vaak niet als zodanig te herkennen. Een vergelijkbaar resultaat kwam uit het geweldige paper van Van Bezooijen, Gooskens en Kürschner (2009). Het ging in beide gevallen om kleine samples, dus men kan geen definitieve conclusies trekken, maar het zijn wel signalen die wijzen op de verdwijning van het idee van germanismen.

Als germanismen minder belangrijk worden, dan zou je dat ook kunnen zien in taaladvies. Dit is een hypothese die best toetsbaar is op het materiaal dat ik nu bij elkaar heb gebracht. Een deel van dat materiaal heb ik namelijk geannoteerd voor argumentatie: op basis waarvan wordt een bepaalde taalvorm afgekeurd? Ik heb over dit interessante onderwerp in juni op de Prescriptivism Conference in Park City, Utah verteld (proceedings volgen komend jaar). Op de aankomende Grote Taaldag in februari 2018 vertel ik iets over de argumentatie bij de kwestie als/dan in de 20e eeuw.

Hoe dan ook, één van de argumenten die ik annoteerde was germanisme. En wat bleek: germanisme als argument om taalvormen te veroordelen wordt steeds minder gebruikt naarmate de 20e eeuw vordert. De eerste grafiek hieronder laat zien hoe dat in absolute getallen gaat:

Screenshot 2017-11-16 08.08.05

Dat is natuurlijk al aardig, maar de vraag is of germanisme als Argument voor Veroordeling ook relatief verdwijnt. Het zou tenslotte kunnen dat er überhaupt minder taaladviezen zijn. Dat is echter zeker niet het geval. Niet voor de traditie als geheel (sinds 1990 verschenen er meer taaladviesboeken dan in de 90 jaar daarvoor), maar ook niet voor mijn sample. Ik nam namelijk per decennium (vanaf 1910) telkens 100 ingangen van mijn database (die bestond uit 130 werken overigens). Die ingangen konden meer dan één taaladviesprobleem bevatten (het schommelt tussen de 100 en de 270). De grafiek hieronder laat zien dat ook relatief gezien germanismen nauwelijks meer voorkomen als argument om een taalvorm af te keuren:

Screenshot 2017-11-16 08.19.41

Je kunt ook kijken naar specifieke gevallen. ‘Meerdere’ bijvoorbeeld. In de betekenis van ‘verscheidene’ wordt dat decennialang afgekeurd (bijvoorbeeld in Germanismen 1917, Moortgat 1925, NRC 1935, Damsteegt 1964 en Apeldoorn & Pot 1983). Maar wat zeggen de twee invloedrijkste taaladviesdiensten heden ten dage? De Taaladviesdienst van de Taalunie keurt dit gebruik goed, en noemt germanisme niet eens meer (behalve in de noten). Onze Taal zegt wel dat er ‘er (…) ook nog steeds mensen [zijn] die vinden dat meerdere in de betekenis ‘meer dan één’ afgekeurd moet worden als germanisme’, maar keurt het gebruik goed, en noemt ook nog een aantal bronnen die het gebruik niet afkeuren.

Betekent dit dat germanismen helemaal zijn verdwenen uit het taaladvies? Nee. Ik heb uiteindelijk een vrij klein sample genomen, de balans zou kunnen veranderen bij een ander sample. Bovendien zijn er werken die ik (om wat voor reden dan ook) niet heb meegenomen in mijn database. Werken waarvan ik weet dat er veel germanismen in woorden veroordeeld. Bas Hageman’s tendentieus getitelde ‘Barbarismen woordenboek. Hoe Nederlands is uw Nederlands nog?’ bijvoorbeeld. Maar opnieuw is dit wel degelijk een sterk signaal dat germanisme als reden van veroordeling ten opzichte van het begin van de 20e eeuw marginaal is geworden. Dit in tegenstelling tot de veroordeling van anglicismen, waar allerlei pamfletten mee worden volgeschreven.

Het verdwijnen van de veroordeling van germanismen laat mooi zien wat ik eerder deze week ook al beschreef, namelijk dat taaladvies niet los is te zien van maatschappelijke ontwikkelingen. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Engelse wereld en daarmee de Engelse taal sociaal en economisch alleen maar aan invloed gewonnen. Dit in tegenstelling tot Duitsland en het Duits. Niet vreemd dus dat de afkeuring van het Duits verdween. Of de recente politieke verschuivingen (meer Merkel dan May en Trump) hier verandering in gaan brengen is nog maar de vraag, maar ik verwacht het niet.

Opvallend taaladvies (6): foute talen

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik tegenkom. Vandaag iets over foute talen. Waarom wordt er eigenlijk alleen tegen Duits en Engels geageerd, maar niet tegen Indonesisch en Latijn?

Een bekend boekje van neerlandicus C.B. van Haeringen (1892-1983) is getiteld Nederlands tussen Duits en Engels (1956). Nomen est omen: in dit boekje wordt een vergelijking gemaakt tussen de drie talen. Het is een uitstekend geschreven boekje: lees het vooral. Belangrijk om mee te nemen is dat de vergelijking voor de hand ligt: Duits en Engels zijn van de talen die het dichtst bij het Nederlands liggen de grootste, zowel in sprekersaantallen als in culturele invloed. De talige invloed van de talen is dan ook groot geweest door de jaren heen, en het is niet verwonderlijk dat van alle buitenlandse leenwoorden juist germanismen en anglicismen het meest worden bestreden. Tot zover weinig nieuws. Iets minder bekend is misschien al dat de veroordeling van germanismen sterk afneemt naarmate de 20e eeuw vordert, terwijl de anglicismen in toenemende mate worden veroordeeld. Maar daarover graag een andere keer meer.

De derde groep leenwoorden waar veel tegen is geageerd bestaat uit de gallicismen. Ook hierover is veel te zeggen, zeker als je Nederlands-Nederlands en Belgisch-Nederlandse taaladviespublicaties vergelijkt. Ook hier is het een relatief open deur dat gallicismen in Belgisch-Nederlands veel vaker worden veroordeeld dan in het Nederlands-Nederlands. Dit is een natuurlijk effect van de tweetalige situatie die in België bestaat. Maar ook daar een andere keer meer over. Nu wil ik kijken naar juist de andere talen waaruit woorden moeten worden geweerd.

Het is opnieuw een open deur (het lijkt wel een zoete inval hier) dat het Nederlands woorden heeft geleend uit een groot aantal talen. Van Arabisch tot Japans, van Portugees tot Indonesisch: sla er het Groot Leenwoordenboek (Van der Sijs 2005) maar op na. Interessant genoeg wordt er nauwelijks tegen al die leenwoorden geageerd. Ik ben tot nu toe, in mijn studie van 20e-eeuws taaladvies slechts een klein aantal gevallen tegengekomen. Kijk maar:

Abituriënten. Een latijnsch-duitsch baksel, bij de heeren van het onderwijs in gebruik. Het zijn de leerlingen, die voor hum eindexamen geslaagd zijn, die dus van school afkomen. Vindt men geslaagden niet goed genoeg meer, de taal kan u helpen aan afkomelingen. (Haje 1932)

A-politiek, a-religieus, a-christelijk enz. Een verbijsterend dwaze vertooning met de Grieksche alpha privans in ons goede Nederlandsch. Daar roept iemand uit: “Immoraliteit of wat nog erger is…… a-moraliteit!” En nog blijven wij levend en huiveren niet eens, hetgeen misschien wel gebeurd zou zijn, had spreker zijn climax bereikt met geen moraliteit. Maar wij wilden wel hooren, waarom er geen b-moraliteit yolgde. Zou de A-kerk te Groningen inspiratief hebben gewerkt? Waartoe anders die streep achter a? (Haje 1932)

Alsmaar. Een Judaïsme > Nederlands telkens weer. In het Jidsch van Oost-Europa – zoo wordt ons van goeder hand verzekerd – leeft een als == aanhoudend. Dat als heeft ons aldoor, al maar door gebruikt als krukken, nam er maar van over en werd toen alsmaar. Eerst plat en moppig, thans heet het geestig en pittig. Straks raakt het nog in de gunst der aristocratie. (Haje 1932). Ook genoemd door Damsteegt (1954).

Ook vermijde men Amsterdamsch – hebreeuwsche– zinsconstructies als b.v.: Ik heb gelezen het boek, dat…. enz. in plaats van: Ik heb het boek gelezen, dat…. (NRC 1935)

zoetelaarster (Verkieselijk boven het Italiaans-Duitse “marketenster”) (Anon 1937)

latinisme woord of uitdrukking naar het voorbeeld van het Latijn en in strijd met het Nederlands taaleigen; in de renaissancetijd werden veel taalconstructies naar Latijns voorbeeld gebruikt; gangbaar zijn deelwoordconstructies in staande uitdrukkingen als: niets meer aan de orde zijnde (sloot de voorzitter de vergadering), ijs en weder dienende (gaat de wedstrijd door), maar infinitiefconstructies als: men beweert [die geruchten niet juist te zijn] dient men te vermijden:… dat die geruchten niet juist zijn. >barbarisme (Apeldoorn&Pot 1983:232)

latinismen Woorden en uitdrukkingen die uit het Latijn zijn vertaald en die in strijd zijn met het Nederlands. Er zijn niet zoveel latinismen. Een voorbeeld: De winkel gesloten zijnde, moet u bellen op nummer… Dit moet zijn: Als de winkel gesloten is, moet u … Of: Indien gesloten bellen op … (Dit kan echter ook betekenen: Indien u gesloten bent.) Niet: Gesloten zijnde, moet u bellen … -> beknopte bijzin (Van der Horst 1988:92)

Dit wil overigens zeker niet zeggen dat er geen andere gevallen zijn: ik ben nog best bezig met mijn corpus. Maar dat de afkeuring van andere talen enorm achterblijft bij die van het Engels en Duits, dat is duidelijk. Je zou dat vreemd kunnen vinden: veel van de argumenten die je kunt gebruiken om Duits en Engels af te keuren gaan net zo makkelijk op voor andere talen. Maar dit fenomeen legt eigenlijk precies de aard van taalpurisme bloot. Het gaat niet om taal, het gaat om sociaal.

De afkeuring van Engels en Duits is namelijk geen gevolg van het feit dat we juist die talen zo verschrikkelijk vinden. Het is een uitvloeisel van de vermeende socio-culturele invloed. Decennialang waren Duitsland, Duitse literatoren, Duitse filosofen, Duitse (taal)wetenschappers, de Duitse economie toonaangevend. Als gevolg daarvan was ook het Duits belangrijk. Nieuwe woorden voor nieuwe concepten ontstonden in het Duits, om vervolgens in het Nederlands te worden gebruikt, en mensen gingen meer Duits gebruiken vanwege het prestige dat de taal had. Dit soort gebruik stuitte op verzet: de taal werd als het ware het slagveld waarop de strijd tegen culturele en economische overheersing werd uitgevochten. De afkeuring van het Duits is goed te verklaren. Vul in deze paragraaf overigens Engels in, en de situatie van de afgelopen vijftig jaar is ook precies gevat.

Wat ook een rol speelt is de betekenis die een taal heeft binnen een breder kader van associaties. Duitsland en Engeland/de VS roepen bij ons beelden op, die al dan niet overeenkomen met de werkelijkheid. Maar de beelden zijn er. De landen, en de talen, zijn cultureel belangrijk. Talen als het Portugees of het Swahili zijn dat veel minder. Het is te vergelijken met een onderzoekje naar racistische moppen waar ik een paar jaar geleden op het Meertens aan meewerkte. Vervang een Turk door een Peruaan en niemand vindt de mop leuk. Peruanen hebben geen speciale betekenis binnen onze culturele beleving. Daarom keuren we dus wel Duits en Engels af, maar niet Italiaans. Overigens verklaart dit niet waarom er niet ook meer verzet was tegen bijvoorbeeld vroeger Indonesisch of tegenwoordig tegen Arabisch. Er spelen blijkbaar toch ook andere factoren een rol.

Waarom ik mijn proefschrift in het Engels schrijf

Afgelopen woensdag was ik precies een jaar bezig met mijn promotieonderzoek. Min of meer bij toeval besloot ik om die dag ook eens een stukje te gaan schrijven aan een hoofdstuk dat in mijn uiteindelijke proefschrift zal verschijnen. Ik heb al een tijd allerlei aantekeningen liggen over de afbakening van het taaladvies dat ik bestudeer (ik schreef er al eerder over), maar nu wilde ik hier toch een wat formelere versie van maken. Opgetogen toog ik dus aan het werk, en al snel stonden er flink wat woorden op papier. De taal van die woorden? Het Engels.

Waarom schrijf ik in hemelsnaam mijn proefschrift in het Engels? Ik promoveer in Nederland, aan de afdeling Nederlands Taal en Cultuur. De voertaal aan de universiteit waar ik promoveer is voor het grootste deel echt nog steeds Nederlands. Mijn begeleiders zijn Nederlands. Alle primaire bronnen die ik bestudeer zijn in het Nederlands gesteld. Belangrijkst van alles: de taal waar ik over schrijf is het Nederlands. En toch heb ik geen moment getwijfeld over de beslissing om in het Engels te schrijven.

Als je het zo leest, als ik het zo opschrijf, dan is dat natuurlijk best raar. Laakbaar ook: zou juist een taalwetenschapper die het Nederlands bestudeert niet moeten zorgen dat Nederlands de taal van de wetenschap blijft? Nou, ja en nee. Ten eerste is de taal van de wetenschap allang niet meer Nederlands. In geschreven vorm althans niet. Van bijvoorbeeld de proefschriften die in 2015 verschenen was slecht 3,2% in het Nederlands (zie Staat van het Nederlands onderzoeksrapport, pagina 253). Ten tweede beschouw ik mezelf niet als een onderzoeker van het Nederlands, die toevallig de taal bekijkt. Ik ben een taalwetenschapper, die (niet helemaal toevallig) het Nederlands bestudeert. Mijn gemeenschap is dus ook de internationale taalwetenschap, en die groep mensen is dan ook de primaire doelgroep van mijn proefschrift.

Veronachtzaam ik daarmee de Nederlandse wetenschappers? Geenszins. Ik ben zeker van plan delen van mijn onderzoek ook in het Nederlands te publiceren en te presenteren. Op 3 februari geef ik bijvoorbeeld als alles goed gaat een lezing op de Grote Taaldag in Utrecht, over de kwestie als/dan in 20e-eeuws taaladvies. In het Nederlands. Ik ben daarnaast bezig met het voorbereiden van een artikel over ‘je hoort het steeds vaker’ in taaladvies. Dat wil ik publiceren in een Nederlandstalig tijdschrift. Vorige week maandag gaf ik nog een lezing over de taal van politieke slogans. In het Nederlands. Maar de primaire doelgroep van mijn proefschrift is niet de Nederlandse taalwetenschapper: het is de taalwetenschapper. En voor die doelgroep is Engels de voertaal.

Ik merkte dat al op de conferentie waar ik in juni was. Afgezien van een Macedonische promovenda uit Leiden die onze taal had geleerd was ik de enige spreker van het Nederlands. Ik kan dan wel stug volharden in mijn taal, maar als ik daarmee mijn resultaten niet aan de man kan brengen, dan slaag ik niet in mijn doel. Wat is mijn doel eigenlijk? Daar is zowel een concreet als een heel esoterisch antwoord op. Het concrete doel op dit moment is om inzicht te krijgen in de relaties tussen taaladvies en taalgebruik. Het esoterischere doel is om een bijdrage te leveren aan het menselijke begrip van taal. In beide gevallen hoop ik dat anderen iets zullen doen met de resultaten van mijn onderzoek. Zo werkt dat in de wetenschap, althans dat vind ik: samen zwoegen we dag na dag om de Grote Toren van Kennis en Begrip een klein beetje beter te maken. Als ik wil dat andere steenhouwers en metselaars iets met mijn steentje doen, dan is het handiger om dat steentje Engels te maken.

Er is ten slotte nog een doelgroep voor mijn onderzoek: de niet-taalwetenschappelijke gemeenschap. Ik vind dat het mijn plicht is om de resultaten en methodes van mijn proefschrift ook voor die doelgroep te ontsluiten. Ik ga graag een andere keer in op de redenen. Maar van belang is nu dat je je kunt afvragen of mijn nieuwe kennis wel toegankelijk is voor iedereen, als mijn proefschrift in het Engels is. Het antwoord daarop is denk ik nee. Er is, lijkt me, een grote groep mensen die niet goed genoeg academisch Engels leest om zich door mijn aanstaande proefschrift heen te kunnen worstelen. Maar nogmaals: mijn proefschrift is niet bedoeld voor die mensen. Om die groep toch te bereiken is mijn plan om voor alle niet-taalwetenschappers met liefde een zogenaamde publieksversie schrijven. Een boek over mijn proefschrift specifiek bedoeld voor de niet-kenner, waarin ik begrippen kan uitleggen en meer context kan geven. Zo wordt iedereen bediend. Die publieksversie moet er gaan komen na de afronding van mijn proefschrift, dus laten we zeggen in het voorjaar van 2022. Geïnteresseerde uitgevers mogen zich alvast melden. Tot die tijd is er dit onderzoeksblog.

Dit is hoe ik erover denk. Ik ben benieuwd hoe anderen tegen deze lastige kwestie aankijken. Ik sta daarom, als altijd, open voor een constructieve discussie.