Hoe vaak komt achenebbisj voor en in welke omstandigheid?

In al mijn onschuld las ik afgelopen vrijdag dit artikel in de Volkskrant, over de verkoop van het Westergasterrein in Amsterdam. Halverwege het artikel sloeg plots mijn hart een slagje over. Ik kwam namelijk de volgende zin tegen:

“Het was destijds een vervallen industrieterrein met onder meer een achenebbisj parkeerplaats voor stadsbussen”

Achenebbisj. Dat is me toch een heerlijk woord. Het Jiddisch straalt er vanaf, door de opkomende ach en de neerdalende sj. Weinig Nederlandse woorden hebben een spelling die zo buitenaards is. Om het modern te zeggen: ik zat me daar een potje te genieton.

Hoe vaak?

Genieten kan ik echter zelden lang doen. Ik wil meteen meer weten over mijn lustobject. In dit geval vroeg ik me af wanneer ik het woord voor het laatst had gezien, en hoe vaak het eigenlijk voorkomt. Gelukkig is het best makkelijk op die tweede vraag een antwoord te geven (de eerste vraag blijft voorlopig helaas onbeantwoord, ik kan niks bedenken).

In de Volkskrant vind ik het woord 24 keer in de periode 2000-2018. Ook in NRC komt het ongeveer zo vaak voor, te weten 22 keer. Daar zitten wel vier gevallen bij uit de periode 1997-2000. Overigens maakt NRC tegenwoordig als je zoekt direct een fraai grafiekje van voorkomen over tijd, rechtsboven. Heel fijn. Ook wordt aangegeven welke schrijvers het hoe vaak gebruiken. Opvallend: geen schrijver komt boven de twee keer uit. Het is dus niet een woord dat sterk persoonsgebonden is. Ander grappig detail: in het Parool komt achenebbisj in de periode 2008-2018 12 keer voor. Dat is ongeveer evenveel als in de NRC en de Volkskrant. Ik had vaker verwacht, omdat het woord traditioneel met Amsterdam wordt geassocieerd. Sterker nog, in 2008 schopte het woord het tot Mooiste Amsterdamse woord. Maar die Amsterdamse associatie zien we dus niet terug in de lokale krant.

Waar gaat het over?

Dat is nog wel een andere aardige vraag. ‘You shall know a word by the company it keeps.’, is een bekende uitspraak in de taalwetenschap (credits: John Rupert Firth). Zijn er zaken of omstandigheden die, ik durf het haast niet te zeggen, achenebbisjer zijn dan andere? Om hier achter te komen moet je eigenlijk zoveel mogelijk voorkomens van het woord bestuderen, maar omdat ik ook weer aan het werk moet bekeek ik alleen de voorkomens in het NRC. Hieronder staan ze (het zijn er 20, er zaten twee dubbele bij):

geen achenebbisj winkeltje
allesbehalve een achenebbisj adresje
een wat achenebbisj kantoorpandje
haar achenebbisj ogend kantoortje
Zo ook het volgens Van Schie „achenebbisj” winkelcentrum
een tijdelijke „achenebbisj speelplek”
een koud en achenebbisj hok
In een achenebbisj restaurantje
haar hele achenebbisj keukentje
een achenebbisj kamertje
een oud achenebbisj huis
een achenebbisj straatje
een achenebbisje binnenplaats
Geen achenebbisj-club
een achenebbisj pandje
Een achenebbisj appartement

als achenebbisje slager

een `achenebbisj zooitje’
een achenebbisj zooitje

Wat er hier in de buitenruimte wordt geschapen is volgens haar altijd `achenebbisj’.

Wat een heerlijk vak heb ik toch. Al direct vallen drie dingen op. Of dit algemene trends zijn is niet te zeggen op basis van mijn eenzijdige sample, maar ik noem ze toch:

  • achenebbisj wordt zelden verbogen (alleen bij de slager komt er een -e achter)
  • achenebbisj wordt vrijwel uitsluitend gebruikt om het over plaatsen en plekken te hebben, zoals een straat, een huis of een appartement
  • in elf van de twintig gevallen staat het bijbehorend zelfstandig naamwoord in de verkleinvorm: pandje, straatje, restaurantje, zooitje

Over dit interessante gedrag wordt in geen woordenboek gerept (er wordt sowieso zelden over achenebbisj gerept: noch Van Dale Online, noch WNT kent het). Is er sprake van een betekenisverandering? Of is dit gewoon het type informatie dat niet in woordenboeken wordt vermeld? Fascinerend is het hoe dan ook. Het is een mooi voorbeeld van die uitspraak van Firth. Woorden op zich zijn leuk, maar ook context kan geweldig interessant zijn. Wie weet diep ik het allemaal nog eens uit wat betreft achenebbisj.

De NS wil/wilden: is NS nou enkelvoud of meervoud?

De nacht van vorige week donderdag op vrijdag heb ik niet thuis geslapen. Nadat ik eerst nog gezellig meedeed met #stormpoolen trok ik al snel de conclusie dat het niet ging lukken. Omdat ik ook geen zin had in een overvolle trein besloot ik de nacht door te brengen bij vrienden van m’n ouders. Die vonden dat gelukkig goed. Na een goede nachtrust werd ik bij het ontbijt direct weer aan de stress van gisteren herinnerd. Trouw opende namelijk met deze kop:

Screenshot 2018-01-19 09.32.34

Die kop is taalkundig interessant, want er komt een Heet Hangijzer uit het taaladvies in voor, te weten: is NS enkelvoud of meervoud?

De NS wil/wilden

Ter introductie: er kan twijfel bestaan over het getal van NS, en daarmee over het getal van het bijbehorende werkwoord. De afkorting NS staat namelijk natuurlijk voor Nederlandse Spoorwegen. Spoorwegen is meervoud, zeggen sommigen, en dus moet het werkwoord in het meervoud. Maar de NS is één bedrijf, zeggen anderen, en dus krijg je enkelvoud. Voor beide redeneringen is wel wat te zeggen. Dus, voor wie niet verder wil lezen en alleen op zoek is naar advies: er is geen doorslaggevende reden om het een of het ander te doen, volg je hart.

Interessant genoeg (en tot niemands verrassing) zijn taaladviseurs het niet eens over de keuze. Een aantal voorbeelden (soms ook over de VS of de VN):

Naïeve discongruentie komt alleen bij vergissing voor. Gewoonlijk is er een bijgedachte die de ontsporing veroorzaakt: a. Het onderwerp wordt naar zijn getal verkeerd geïnterpreteerd: De V.S. heeft een grote verantwoordelijkheid op zich genomen. (Hermkens 1974)

Nu we het toch over de Nederlandse Spoorwegen hebben, wat moet het zijn:
17a De NS hebben de tarieven weer verhoogd?
17b De NS heeft de tarieven weer verhoogd?
Ook hier ziet u dat de betekenis van het onderwerp het getal van de persoonsvorm beïnvloedt. De NS wordt ondanks het meervoud ook als enkelvoud gezien. (Renkema 1979)

Met werkwoord: NS bouwt aan de toekomst (enkelvoud; het Witte Boekje vermeldt meervoud achter het lemma NS, maar wij sluiten aan bij het gangbare spraakgebruik). Echter: de (Nederlandse) Spoorwegen (voluit) zijn … (meervoud). (Sanders & Metselaar 2002)

Meervoudige namen van landen, instellingen en organisaties behandelen we als meervoud, ook wanneer ze afgekort worden: De Nederlandse Spoorwegen/de NS lijden (De Berg 1999)

Wat is juist: De Verenigde Naties / De VN heeft de troepen teruggetrokken of De Verenigde Naties / De VN hebben de troepen teruggetrokken?
Alle varianten zijn correct. Bij Verenigde Naties is de meervoudige persoonsvorm het gebruikelijkst: De Verenigde Naties hebben de troepen teruggetrokken. Bij de afkorting VN zijn het enkelvoud en het meervoud beide gebruikelijk: De VN heeft/hebben de troepen teruggetrokken. (Taaladvies.net)

Zowel ‘De VS is een groot land’ als ‘De VS zijn een groot land’ is juist; de voorkeur gaat uit naar het enkelvoud. Als VS voluit wordt geschreven als Verenigde Staten, is het meervoud juist: ‘De Verenigde Staten zijn een groot land.’ (Taaladviesdienst Onze Taal)

En zo heb ik nog 38 voorschriften over deze kwestie. De volledig uitgeschreven vorm wordt door vrijwel iedereen uitsluitend als meervoud geaccepteerd. Enige uitzondering hierop lijkt taaladvies.net te zijn. Ik laat de uitgeschreven vorm verder buiten beschouwing. Wat betreft de afkorting (NS, VS, VN) wordt enkelvoud, meervoud of allebei geaccepteerd. Hieronder een overzicht van hoe vaak de verschillende interpretaties voorkomen in mijn sample van 44 taaladviespublicaties:

  1. alleen enkelvoud: 25x (57%)
  2. alleen meervoud: 12x (27%)
  3. allebei: 7x (16%)

Het is direct duidelijk: men is het er niet over eens. Toch is enkelvoud de veiligste keuze, afgaande op het taaladvies. “De NS heeft” wordt immers door 73% (57+16) van de adviseurs goedgekeurd, tegen 43% meervoud. Interessant zijn nog de volgende observaties:

  • Het taaladviesprobleem lijkt redelijk recent: Charivarius noemt al wel Staten-Generaal, maar verder komt het in mijn corpus voor 1990 alleen voor bij Dominicus (1962), Hermkens (1974), Renkema (1979), Apeldoorn & Pot (1983) en Renkema (1989). Let wel: ik kijk alleen naar de 20e eeuw.
  • Acceptatie van alleen meervoud lijkt ouderwetser: van de bovenstaande zes gidsen accepteert alleen Renkema enkelvoud.
  • Er is in de periode 1990-2017 geen duidelijke ontwikkeling meer in de acceptatie van het een of het ander.
  • De argumentatie komt in het kort neer op wat ik al eerder schreef: accepteer je NS als één bedrijf (best iets voor te zeggen), dan ga je voor enkelvoud, ga je uit van Spoorwegen dan kom je op meervoud.

Doen wat je zegt te doen

Mijn hele promotie richt zich op de relatie tussen voorschrift en gebruik. Ik had nu zo snel geen tijd gehad om te kijken of er in dit geval sprake is van een relatie en wat die is, maar ik kan wel kijken naar gebruik. Dat is namelijk al direct interessant. De NS zelf gebruikt bijvoorbeeld enkelvoud (Update: de NS beschouwt de NS inderdaad als één bedrijf, zie hier): “NS is actief in de wereld van het openbaar vervoer.” Je zou dus kunnen denken dat andere instanties dat volgen. Houet 2000 zegt immers:

“Of we dergelijke benamingen altijd als meervoud of als enkelvoud moeten beschouwen, hangt onder meer af van de keuze van de organisatie zelf.”

Zoals we hierboven zagen wordt dat niet gedaan. Maar wat is de voorkeur van de taalgebruiker? Trouw doet dit duidelijk niet, maar houdt zich wel consequent aan de eigen regel, zoals gesteld in het Trouw Schrijfboek (De Berg 1999). Ook NRC houdt zich aan de eigen regel, en gebruikt (hier bijvoorbeeld) enkelvoud. De Volkskrant lijkt zich echter niet aan de eigen regels te houden. Zowel in 1992 als in 1997 stelt de Volkskrant in haar Stijlboek dat NS als meervoud moet worden opgevat, maar in dit stuk staat enkel enkelvoud. Misschien is er inmiddels een nieuwe gids uit, maar zo niet, dan moet er toch iets meer aan redactie worden gedaan. Of de regel moet worden aangepast.

Wat kiest de taalgebruiker

Deze casus is een van de gevallen waar ik binnen mijn proefschrift aan werk. Een uitgebreidere analyse van gebruik volgt later dit jaar. Maar voor de aardigheid is het leuk om even snel te kijken of er een heel duidelijke ontwikkeling in enkelvoud/meervoud is waar te nemen. Ik keek daarom op een aantal verschillende plekken.

Allereerst twee wilde zoekopdrachten op Google. Die resultaten spreken voor zich: “NS heeft” levert aanzienlijk meer hits op (±77.000, 19/1/2018 16:32) dan “NS hebben” (±14.00, idem), en “NS is” komt vaker voor dan “NS zijn” (981.000 vs 18.900, 19/1/2018 16:51). In de groep meervoud zitten bovendien samengestelde onderwerpen zoals “De NS en ProRail hebben besloten”. Vervolgens bekeek ik 1000 Tweets die op 19 januari ongeveer tussen 10.00 en 14.30 werden gestuurd, en waar “ns” in voorkwam. De dichtheid was nogal laag, maar toch inzichtelijk. De 51 tweets waarin “De NS” onderwerp was vatten dat onderwerp namelijk in 100% van de gevallen op als enkelvoud.

Update: schrijver en promovendus Bram Faber bekeek de ontwikkeling van het meervoud en enkelvoud op Google. Op basis van die data lijkt het gebruik van enkelvoud toe te nemen!

Screenshot 2018-01-26 10.12.34

Wat gebeurt er in 2002 in het NRC?

Ten slotte zocht ik op “NS” in het VU-DNC-corpus. Dit corpus bestaat uit twee verzamelingen krantenberichten uit de vijf grote kranten (NRC, AD, Volkskrant, Trouw en Telegraaf), een uit 1950/1951 en een uit 2002. Leuk, dacht ik: vergelijken hoe het gebruik is veranderd! Helaas kwam “NS” als afkorting niet voor in het oudere materiaal. In het nieuwere materiaal kwam het daarentegen een aantal keer voor. De resultaten komen overeen met bovenstaande observaties: Trouw gebruikt altijd meervoud, De Volkskrant uitsluitend enkelvoud. In De Telegraaf komt NS maar drie keer voor, maar telkens met enkelvoud.

Tot dusverre weinig aan de hand. Maar in de NRC-data staat iets vreemds. In drie artikelen wordt enkelvoud gebruikt, maar in één artikel juist alleen meervoud. En het wordt nog vreemder. In het corpus zitten namelijk twee berichten van 12 december 2002. Daarin staat het volgende:

De NS schrappen opnieuw 440 arbeidsplaatsen.
De Nederlandse Spoorwegen schrapt 440 voltijds arbeidsplaatsen.

NS schrapt 440 arbeidsplaatsen
De Nederlandse Spoorwegen schrappen 440 arbeidsplaatsen om 50 miljoen euro uit te sparen.

De kop zal door iemand anders zijn gemaakt dan de broodtekst, daarmee is al iets verklaard. Maar verder is er niets duidelijk. Men gaat twee keer in tegen de eigen geboden, en bovendien met een zeldzame Spoorwegen + enkelvoud. Heel vreemd.

Al met al lijkt de NS tegenwoordig meer als enkelvoud dan als meervoud te worden opgevat. Of dat vroeger ook zo was is onduidelijk. Totdat ik toegang heb tot meer taaldata kan ik daar geen uitspraken over doen. Die data gaan er komen, en de uitspraken ook. Over de NS, maar ook over een heleboel andere grammaticale problemen. Voor nu ben ik vooral benieuwd naar jullie eigen gebruik en intuïties. Ik ervaar die kop van Trouw als best vreemd. Jullie gedachten?

PS Ik zit inmiddels ook op Twitter, @MartenvdMeulen

10 manieren om in ieder gesprek taalkunde te beoefenen

Taalkundige zijn is een schitterend beroep waarin je je nooit hoeft te vervelen. In een serie tweets bracht Marc van Oostendorp dit gisteren naar voren:

Dit is voor mij intens herkenbaar. Als sinds de basisschool verveel ik me eigenlijk nooit. Ik ga altijd iets doen, iets bestuderen. Op school werd dat niet echt gewaardeerd. Inmiddels heb ik stillere methoden bedacht, en die hebben veelal betrekking op taal. Want Marc heeft gelijk: een taalkundige hoeft zich nooit te vervelen. Zelfs de saaiste vergadering kan boeiend worden. Altijd taalkunde!

Af en toe word ik er ook wel een beetje moe van hoor, dat die voelsprieten niet uit kunnen. Maar zo gaat dat met beroepsdeformatie. Ik ken ook mensen die beroepshalve eigenlijk niet meer naar de film kunnen. Meestal is mijn taalfocus gelukkig leuk en goed. Omdat ik net als de nederigste zendeling ook alleen maar wil delen wat voor mij goed is, geef ik hieronder mijn lijstje alledaagse onderzoekjes. Veel plezier!

  1. Gemarkeerde woorden. Gebruiken mensen woorden die ik zelf nauwelijks gebruik? Kan ik erachter komen waarom zij dat woord gebruiken? Ik herinner me nog de schok die door me heen ging toen ik voor het eerst iemand niet-ironisch het woord ‘shinen‘ hoorde gebruiken. Heerlijk.
  2. Andersom is ook heel leuk: als ik een gemarkeerd woord een paar gebruik, neemt mijn gesprekspartner het dan over? Ik doe dit weleens heel bewust met het woord ‘taai’: “dat was een taaie vergadering”. Dat is denk ik goed te begrijpen, maar niet heel gebruikelijk. Het is al wel voorgekomen dat mijn gesprekspartner later in het gesprek ook iets taai noemt. Missie geslaagd, voorbeeld van lexicale diffusie (zie hier, 15.1.3), heerlijk fenomeen in een notendop.
  3. Groeten. Ach dat is zo’n immens gelaagd sociaal gebeuren. Wanneer begroeten mensen elkaar wel en niet? Hoe gaat dat bijvoorbeeld in de lift? Er spelen zoveel factoren een rol: moment van de dag, inschatting van relatieve status, leeftijd, ga maar door. Ook leuk in de wachtkamer en in het bos. Net zo boeiend: luister eens naar hoe vaak mensen elkaar gedag zeggen aan de telefoon.
  4. Accentje raden. Hier ben ik niet heel goed in, maar het is wel een leuk spel. Opnieuw helpt het om te luisteren naar gemarkeerde klanken, zoals natuurlijk de g, maar ook klinkers bijvoorbeeld kunnen leuk zijn. Iemand kan natuurlijk ook uit een Mysterieus Buitenland komen, dan is het al helemaal leuk om te luisteren naar welke klanken diegene in het Nederlands anders uitspreekt dan gebruikelijk.
  5. De taal van de NS, die blijft fascineren. Welke manieren bedenkt de NS nu weer om verantwoordelijkheid te ontlopen? Welke andere vreemde zinswendingen gebruiken ze? “Op het volgende station kunt u uit- of overstappen” bijvoorbeeld is eigenlijk heel vreemd: uitstappen moet je sowieso!
  6. Hoe ziet het taalkundig landschap eruit? Welke talen en schriften worden er gebruikt op posters en op reclameborden? Ook: hoe heten winkels en waarom? Altijd wat te beleven, bijvoorbeeld of er over shawarma of shoarma wordt gesproken.
  7. Kan ik andere patronen ontdekken in ’s mens taalgebruik? Dit doen mensen om een of andere reden heel vaak bij mij. Ik schijn nogal veel in lijstjes te praten, en zeg dus heel vaak dingen als ‘dit is om twee redenen een goed idee’. Deze methode is wel voor gevorderden, want je moet goed opletten en best wat tijd met iemand doorbrengen.
  8. Turn-taking, ook al zo geweldig. Wie komt op welke manier aan de beurt? Op welke momenten in een gesprek valt iemand binnen, en op wat voor manier? Mensen doen dit intuïtief meestal goed: ze weten wanneer ze mogen beginnen, en ze weten wanneer ze zelf moeten stoppen. Het gaat ook weleens mis: ik hoor soms iemand proberen drie keer hetzelfde verhaal te beginnen. Fascinerend.
  9. Ja ja, Italianen praten met hun handen. Maar zij zijn echt niet de enigen: wij doen het ook, en ongetwijfeld doet eigenlijk iedereen het tot op zekere hoogte. Maar welke gebaren worden gebruikt om wat te ondersteunen? En kun je de vorm van het gebaar aan de betekenis koppelen? Dat laatste is vooral heel geinig: in mijn ervaring worden vaak hele vreemde gebaren gebruikt.
  10. Samentrekking. Het is een publiek geheim dat we heel veel woorden helemaal niet zo netjes uitspreken als we denken. Eigenlijk wordt eik, natuurlijk wordt tuuk. Maar het komt veel vaker voor, en er zijn wetmatigheden in het voorkomen te ontdekken (daar doet bv Mirjam Ernestus leuk onderzoek naar). Probeer langzaam na te zeggen wat iemand tegen je zei en verbaas je over de enorme hoeveelheid samentrekkingen.

En dit is maar het begin. Ik ben ontzettend benieuwd naar jullie ervaringen. Doen jullie bovenstaande onderzoekjes weleens? Op welke taalelementen letten jullie anders?