Het probleem met taalverloedering

Jongens, we kunnen ons weer verheugen: er is een nieuw programma over taal op tv! Gisteren was de eerste aflevering van de S.P.E.L.-show. Ik zal eerlijk zijn: mijn maag begon al bij het zien van de titel te borrelen, en ik heb dus ook niet gekeken. De tekst op de website van BNNVARA bracht namelijk een flinke portie antiperistaltiek met zich mee: “Het gemiddelde taalniveau in Nederland daalt: jongeren kunnen minder goed lezen en schrijven dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden. De S.P.E.L.-show van Astrid Joosten komt als geroepen.” Alsof zij daar ook maar íets aan gaat veranderen zeg, allemachtig… Een interview in het AD opende bovendien met dit stukje tekst:

Astrid Joosten (60) windt – met dt – zich op. Ze signaleert om zich heen taalverloedering en dat gaat de presentatrice aan het hart. “Ik constateer dat onze taalvaardigheden achteruitgaan.”

Het deed me denken aan een interview met Ad Verbrugge van Beter Onderwijs Nederland (BON). In een stuk op de site van NOS werd hij een tijdje terug als volgt geciteerd:

“Er is sprake van taalverloedering en achteruitgang van de uitdrukkings-vaardigheid in het Nederlands bij mensen die later belangrijke functies in het openbaar bestuur en de rest van de maatschappij innemen.”

Dat begrip, taalverloedering: dat hoor je wel vaker (bijvoorbeeld bij de huidige kampioen taalzeuren Japke-d), maar het is eigenlijk een heel lastig iets. Want wat is het eigenlijk, en hoe kom je erachter of er sprake van is?

Wat is taalverloedering?

Het lijkt simpel: taalverloedering is verloedering op het gebied van taal. Verloedering betekent een verslonzing (aldus Van Dale), en dat is dan weer het ‘door on­zorg­vul­di­ge be­han­de­ling er slor­dig uit doen zien’. Een belangrijk element in de woorden verloedering en verslonzing is -ing: dat betekent dat er sprake is van een ontwikkeling, niet van een statische situatie. Taalverloedering dus impliceert een verloop van tijd. Taalverloedering is altijd iets wat optreedt ten opzichte van een situatie in het verleden. Het is nooit duidelijk of die situatie een bepaald punt is, of dat de taal verloedert in relatie tot een langere periode, maar er is altijd sprake van (laten we sjiek blijven) temporele degradatie. Dit lijkt dus vrij helder: als er sprake is van taalverloedering dan betekent dit dat er nu meer slordige taal wordt gebruikt dan eerder.

Hoe kun je taalverloedering constateren?

Het eerste probleem is de slordigheid. Dat woord suggereert dat er geen sprake is van structurele taalfouten per se, maar van onverzorgdheid. Voor mij impliceert slordigheid een verschrijving, een per ongelukke afwijking. Een student die structureel ‘groter als’ schrijft in plaats van ‘groter dan’ schrijft niet in overeenstemming met de standaardtaalnorm, maar is er sprake van slordigheid? Ik zou zeggen van niet. Dit maakt het idee van slordigheid, en daarmee van taalverloedering, lastig te meten: wanneer is er wel, wanneer geen sprake van? Je zou het taalsysteem van iedere taalgebruiker die je bestudeert in kaart moeten brengen om te zien wat structureel is en wat slordig. Maar goed, een beetje onderzoeker bekijkt dit van alle kanten en operationaliseert een mooie werkdefinitie.

Stel dat je zo’n werkdefinitie hebt, en je weet welke fouten je wil bestuderen. Dan kun je met data aan de slag. Vanwege de tijdsdimensie is het ogenschijnlijk eenvoudig taalverloedering te meten. Je neemt simpelweg een hoeveelheid taaldata (essays van studenten bijvoorbeeld) over een bepaalde tijd, en die vergelijk je met elkaar. Zeg tussen 1900 en 2010 ieder decennium 100 essays, liefst over hetzelfde onderwerp, liefst ongeveer evenveel woorden. Je telt de fouten, vergelijkt de samples, maakt een mooi grafiekje en trekt je conclusies. Makkelijk als een appeltaart, zoals onze Angelse buufjes zeggen.

Is er ‘sprake van taalverloedering’?

Zowel Verbrugge (“er is sprake van taalverloedering”) als Joosten (“Ik constateer dat onze taalvaardigheden achteruitgaan”) zijn zeer categorisch. Hun uitspraken suggereren dat er dus daadwerkelijk vergelijkend onderzoek is gedaan, uitgaande van een werkbare definitie van wat taalverloedering is. Maar hier zit het probleem: dat onderzoek is er niet. Er is (voor zover ik weet) nog nóóit een onderzoek geweest dat twee punten in de tijd heeft genomen en heeft laten zien dat er meetbaar meer slordige fouten worden gemaakt dan vroeger. Er is dus sprake van een gevoel. Dat gevoel kan leiden tot interessant onderzoek, maar het is dus niet gestaafd door data. Om daar zó categorisch uitspraken over te doen, dat is dus je reinste onzin.

Waarom denken we dat er taalverloedering plaatsvindt?

Nu wordt het wat mij betreft interessant: waarom doen Verbrugge en Joosten dan die uitspraken? Waar komt dat gevoel dan vandaan? Daar zijn volgens mij drie oorzaken voor te identificeren. De eerste is een set van cognitieve biases, waaronder de frequency illusion. De bekende taalkundige Arnold Zwicky stelt dat die als volgt werkt: als je iets eenmaal ziet, ga je het steeds meer zien. Dit staat ook wel bekend als het Zwangere Vrouwen Syndroom, waarbij je, als je zwanger bent, opeens overal zwangere vrouwen ziet. Bij taal werkt dat net zo. Bovendien is er de recency illusion: als jij iets pas sinds kort waarneemt, denk je dat iets pas sinds kort voorkomt. En dan heb je bij taal ook nog last van een negative bias: je let meer op dingen die fout zijn. Sowieso vallen dingen die afwijken meer op dan dingen die niet afwijken. Kortom: zowel het feit dat je ‘foute’ taalvormen ziet, als dat je denkt dat het er meer zijn, dat kán allemaal tussen je oren zitten.

De tweede oorzaak kan het Golden Age Syndrom zijn, bekend van de slogan Vroeger Was Alles Beter. Als er sprake is van taalverloedering, dan moet er een periode zijn geweest waarin taal beter was. Wanneer was dat dan? Ook vroeger dacht men dat er sprake was van taalverloedering. Willem Diemer schreef in 1964 bijvoorbeeld al dat leerlingen slecht zijn in taal; in haar oratie haalde Muriel Norde een citaat aan van Cicero, uit 46 voor Christus, waarin min of meer hetzelfde werd gezegd. Met andere woorden: dit is een soort algemeen menselijk nostalgisch gevoel. In de woorden van Woody Allen, in Midnight in Paris:

PAUL The name for this fallacy is called Golden Age thinking.
INEZ Touche.
PAUL The erroneous notion that a different time period was better than the one, one’s living in. It’s a flaw in the romantic imagination of those who find coping with the present too difficult.

En dan de derde oorzaak: mensen hebben geen duidelijk idee van hoe het vroeger was. Nu wordt een docent beroepshalve geconfronteerd met fouten, maar er is geen bewijs dat die fouten vroeger niet óók werden gemaakt. Wie van degenen die nu klaagt las tijdens zijn of haar studietijd alle essays van medestudenten? Niemand. Dikke kans (zeker weten doen we ’t niet) dat daar ook allerhande fouten in stonden. De klager zelf, tsja, die is niet representatief: die is namelijk doorgegaan in academia. Je mag nooit je leerlingen spiegelen aan jezelf, dat is basale pedagogiek.

Laten we maar lekker ophouden over taalverloedering

Kortom: beter onderwijs, prima. Rechtszaak aanspannen om dat te bewerkstelligen: als jullie denken dat dat nodig is, doe je ding dan maar. Een tv-show met spelling, nou ja, als er mensen naar kijken, doe je ding dan maar. Als je iets lelijk vindt (niks ís lelijk, dat is een mening), dan moet dat maar. Maar begin alsjeblieft niet over taalverloedering, want dat is niets meer dan een onbewezen gevoel.