De NS wil/wilden: is NS nou enkelvoud of meervoud?

De nacht van vorige week donderdag op vrijdag heb ik niet thuis geslapen. Nadat ik eerst nog gezellig meedeed met #stormpoolen trok ik al snel de conclusie dat het niet ging lukken. Omdat ik ook geen zin had in een overvolle trein besloot ik de nacht door te brengen bij vrienden van m’n ouders. Die vonden dat gelukkig goed. Na een goede nachtrust werd ik bij het ontbijt direct weer aan de stress van gisteren herinnerd. Trouw opende namelijk met deze kop:

Screenshot 2018-01-19 09.32.34

Die kop is taalkundig interessant, want er komt een Heet Hangijzer uit het taaladvies in voor, te weten: is NS enkelvoud of meervoud?

De NS wil/wilden

Ter introductie: er kan twijfel bestaan over het getal van NS, en daarmee over het getal van het bijbehorende werkwoord. De afkorting NS staat namelijk natuurlijk voor Nederlandse Spoorwegen. Spoorwegen is meervoud, zeggen sommigen, en dus moet het werkwoord in het meervoud. Maar de NS is één bedrijf, zeggen anderen, en dus krijg je enkelvoud. Voor beide redeneringen is wel wat te zeggen. Dus, voor wie niet verder wil lezen en alleen op zoek is naar advies: er is geen doorslaggevende reden om het een of het ander te doen, volg je hart.

Interessant genoeg (en tot niemands verrassing) zijn taaladviseurs het niet eens over de keuze. Een aantal voorbeelden (soms ook over de VS of de VN):

Naïeve discongruentie komt alleen bij vergissing voor. Gewoonlijk is er een bijgedachte die de ontsporing veroorzaakt: a. Het onderwerp wordt naar zijn getal verkeerd geïnterpreteerd: De V.S. heeft een grote verantwoordelijkheid op zich genomen. (Hermkens 1974)

Nu we het toch over de Nederlandse Spoorwegen hebben, wat moet het zijn:
17a De NS hebben de tarieven weer verhoogd?
17b De NS heeft de tarieven weer verhoogd?
Ook hier ziet u dat de betekenis van het onderwerp het getal van de persoonsvorm beïnvloedt. De NS wordt ondanks het meervoud ook als enkelvoud gezien. (Renkema 1979)

Met werkwoord: NS bouwt aan de toekomst (enkelvoud; het Witte Boekje vermeldt meervoud achter het lemma NS, maar wij sluiten aan bij het gangbare spraakgebruik). Echter: de (Nederlandse) Spoorwegen (voluit) zijn … (meervoud). (Sanders & Metselaar 2002)

Meervoudige namen van landen, instellingen en organisaties behandelen we als meervoud, ook wanneer ze afgekort worden: De Nederlandse Spoorwegen/de NS lijden (De Berg 1999)

Wat is juist: De Verenigde Naties / De VN heeft de troepen teruggetrokken of De Verenigde Naties / De VN hebben de troepen teruggetrokken?
Alle varianten zijn correct. Bij Verenigde Naties is de meervoudige persoonsvorm het gebruikelijkst: De Verenigde Naties hebben de troepen teruggetrokken. Bij de afkorting VN zijn het enkelvoud en het meervoud beide gebruikelijk: De VN heeft/hebben de troepen teruggetrokken. (Taaladvies.net)

Zowel ‘De VS is een groot land’ als ‘De VS zijn een groot land’ is juist; de voorkeur gaat uit naar het enkelvoud. Als VS voluit wordt geschreven als Verenigde Staten, is het meervoud juist: ‘De Verenigde Staten zijn een groot land.’ (Taaladviesdienst Onze Taal)

En zo heb ik nog 38 voorschriften over deze kwestie. De volledig uitgeschreven vorm wordt door vrijwel iedereen uitsluitend als meervoud geaccepteerd. Enige uitzondering hierop lijkt taaladvies.net te zijn. Ik laat de uitgeschreven vorm verder buiten beschouwing. Wat betreft de afkorting (NS, VS, VN) wordt enkelvoud, meervoud of allebei geaccepteerd. Hieronder een overzicht van hoe vaak de verschillende interpretaties voorkomen in mijn sample van 44 taaladviespublicaties:

  1. alleen enkelvoud: 25x (57%)
  2. alleen meervoud: 12x (27%)
  3. allebei: 7x (16%)

Het is direct duidelijk: men is het er niet over eens. Toch is enkelvoud de veiligste keuze, afgaande op het taaladvies. “De NS heeft” wordt immers door 73% (57+16) van de adviseurs goedgekeurd, tegen 43% meervoud. Interessant zijn nog de volgende observaties:

  • Het taaladviesprobleem lijkt redelijk recent: Charivarius noemt al wel Staten-Generaal, maar verder komt het in mijn corpus voor 1990 alleen voor bij Dominicus (1962), Hermkens (1974), Renkema (1979), Apeldoorn & Pot (1983) en Renkema (1989). Let wel: ik kijk alleen naar de 20e eeuw.
  • Acceptatie van alleen meervoud lijkt ouderwetser: van de bovenstaande zes gidsen accepteert alleen Renkema enkelvoud.
  • Er is in de periode 1990-2017 geen duidelijke ontwikkeling meer in de acceptatie van het een of het ander.
  • De argumentatie komt in het kort neer op wat ik al eerder schreef: accepteer je NS als één bedrijf (best iets voor te zeggen), dan ga je voor enkelvoud, ga je uit van Spoorwegen dan kom je op meervoud.

Doen wat je zegt te doen

Mijn hele promotie richt zich op de relatie tussen voorschrift en gebruik. Ik had nu zo snel geen tijd gehad om te kijken of er in dit geval sprake is van een relatie en wat die is, maar ik kan wel kijken naar gebruik. Dat is namelijk al direct interessant. De NS zelf gebruikt bijvoorbeeld enkelvoud: “NS is actief in de wereld van het openbaar vervoer.” Je zou dus kunnen denken dat andere instanties dat volgen. Houet 2000 zegt immers:

“Of we dergelijke benamingen altijd als meervoud of als enkelvoud moeten beschouwen, hangt onder meer af van de keuze van de organisatie zelf.”

Zoals we hierboven zagen wordt dat niet gedaan. Maar wat is de voorkeur van de taalgebruiker? Trouw doet dit duidelijk niet, maar houdt zich wel consequent aan de eigen regel, zoals gesteld in het Trouw Schrijfboek (De Berg 1999). Ook NRC houdt zich aan de eigen regel, en gebruikt (hier bijvoorbeeld) enkelvoud. De Volkskrant lijkt zich echter niet aan de eigen regels te houden. Zowel in 1992 als in 1997 stelt de Volkskrant in haar Stijlboek dat NS als meervoud moet worden opgevat, maar in dit stuk staat enkel enkelvoud. Misschien is er inmiddels een nieuwe gids uit, maar zo niet, dan moet er toch iets meer aan redactie worden gedaan. Of de regel moet worden aangepast.

Wat kiest de taalgebruiker

Deze casus is een van de gevallen waar ik binnen mijn proefschrift aan werk. Een uitgebreidere analyse van gebruik volgt later dit jaar. Maar voor de aardigheid is het leuk om even snel te kijken of er een heel duidelijke ontwikkeling in enkelvoud/meervoud is waar te nemen. Ik keek daarom op een aantal verschillende plekken.

Allereerst twee wilde zoekopdrachten op Google. Die resultaten spreken voor zich: “NS heeft” levert aanzienlijk meer hits op (±77.000, 19/1/2018 16:32) dan “NS hebben” (±14.00, idem), en “NS is” komt vaker voor dan “NS zijn” (981.000 vs 18.900, 19/1/2018 16:51). In de groep meervoud zitten bovendien samengestelde onderwerpen zoals “De NS en ProRail hebben besloten”. Vervolgens bekeek ik 1000 Tweets die op 19 januari ongeveer tussen 10.00 en 14.30 werden gestuurd, en waar “ns” in voorkwam. De dichtheid was nogal laag, maar toch inzichtelijk. De 51 tweets waarin “De NS” onderwerp was vatten dat onderwerp namelijk in 100% van de gevallen op als enkelvoud.

Wat gebeurt er in 2002 in het NRC?

Ten slotte zocht ik op “NS” in het VU-DNC-corpus. Dit corpus bestaat uit twee verzamelingen krantenberichten uit de vijf grote kranten (NRC, AD, Volkskrant, Trouw en Telegraaf), een uit 1950/1951 en een uit 2002. Leuk, dacht ik: vergelijken hoe het gebruik is veranderd! Helaas kwam “NS” als afkorting niet voor in het oudere materiaal. In het nieuwere materiaal kwam het daarentegen een aantal keer voor. De resultaten komen overeen met bovenstaande observaties: Trouw gebruikt altijd meervoud, De Volkskrant uitsluitend enkelvoud. In De Telegraaf komt NS maar drie keer voor, maar telkens met enkelvoud.

Tot dusverre weinig aan de hand. Maar in de NRC-data staat iets vreemds. In drie artikelen wordt enkelvoud gebruikt, maar in één artikel juist alleen meervoud. En het wordt nog vreemder. In het corpus zitten namelijk twee berichten van 12 december 2002. Daarin staat het volgende:

De NS schrappen opnieuw 440 arbeidsplaatsen.
De Nederlandse Spoorwegen schrapt 440 voltijds arbeidsplaatsen.

NS schrapt 440 arbeidsplaatsen
De Nederlandse Spoorwegen schrappen 440 arbeidsplaatsen om 50 miljoen euro uit te sparen.

De kop zal door iemand anders zijn gemaakt dan de broodtekst, daarmee is al iets verklaard. Maar verder is er niets duidelijk. Men gaat twee keer in tegen de eigen geboden, en bovendien met een zeldzame Spoorwegen + enkelvoud. Heel vreemd.

Al met al lijkt de NS tegenwoordig meer als enkelvoud dan als meervoud te worden opgevat. Of dat vroeger ook zo was is onduidelijk. Totdat ik toegang heb tot meer taaldata kan ik daar geen uitspraken over doen. Die data gaan er komen, en de uitspraken ook. Over de NS, maar ook over een heleboel andere grammaticale problemen. Voor nu ben ik vooral benieuwd naar jullie eigen gebruik en intuïties. Ik ervaar die kop van Trouw als best vreemd. Jullie gedachten?

10 manieren om in ieder gesprek taalkunde te beoefenen

Taalkundige zijn is een schitterend beroep waarin je je nooit hoeft te vervelen. In een serie tweets bracht Marc van Oostendorp dit gisteren naar voren:

Dit is voor mij intens herkenbaar. Als sinds de basisschool verveel ik me eigenlijk nooit. Ik ga altijd iets doen, iets bestuderen. Op school werd dat niet echt gewaardeerd. Inmiddels heb ik stillere methoden bedacht, en die hebben veelal betrekking op taal. Want Marc heeft gelijk: een taalkundige hoeft zich nooit te vervelen. Zelfs de saaiste vergadering kan boeiend worden. Altijd taalkunde!

Af en toe word ik er ook wel een beetje moe van hoor, dat die voelsprieten niet uit kunnen. Maar zo gaat dat met beroepsdeformatie. Ik ken ook mensen die beroepshalve eigenlijk niet meer naar de film kunnen. Meestal is mijn taalfocus gelukkig leuk en goed. Omdat ik net als de nederigste zendeling ook alleen maar wil delen wat voor mij goed is, geef ik hieronder mijn lijstje alledaagse onderzoekjes. Veel plezier!

  1. Gemarkeerde woorden. Gebruiken mensen woorden die ik zelf nauwelijks gebruik? Kan ik erachter komen waarom zij dat woord gebruiken? Ik herinner me nog de schok die door me heen ging toen ik voor het eerst iemand niet-ironisch het woord ‘shinen‘ hoorde gebruiken. Heerlijk.
  2. Andersom is ook heel leuk: als ik een gemarkeerd woord een paar gebruik, neemt mijn gesprekspartner het dan over? Ik doe dit weleens heel bewust met het woord ‘taai’: “dat was een taaie vergadering”. Dat is denk ik goed te begrijpen, maar niet heel gebruikelijk. Het is al wel voorgekomen dat mijn gesprekspartner later in het gesprek ook iets taai noemt. Missie geslaagd, voorbeeld van lexicale diffusie (zie hier, 15.1.3), heerlijk fenomeen in een notendop.
  3. Groeten. Ach dat is zo’n immens gelaagd sociaal gebeuren. Wanneer begroeten mensen elkaar wel en niet? Hoe gaat dat bijvoorbeeld in de lift? Er spelen zoveel factoren een rol: moment van de dag, inschatting van relatieve status, leeftijd, ga maar door. Ook leuk in de wachtkamer en in het bos. Net zo boeiend: luister eens naar hoe vaak mensen elkaar gedag zeggen aan de telefoon.
  4. Accentje raden. Hier ben ik niet heel goed in, maar het is wel een leuk spel. Opnieuw helpt het om te luisteren naar gemarkeerde klanken, zoals natuurlijk de g, maar ook klinkers bijvoorbeeld kunnen leuk zijn. Iemand kan natuurlijk ook uit een Mysterieus Buitenland komen, dan is het al helemaal leuk om te luisteren naar welke klanken diegene in het Nederlands anders uitspreekt dan gebruikelijk.
  5. De taal van de NS, die blijft fascineren. Welke manieren bedenkt de NS nu weer om verantwoordelijkheid te ontlopen? Welke andere vreemde zinswendingen gebruiken ze? “Op het volgende station kunt u uit- of overstappen” bijvoorbeeld is eigenlijk heel vreemd: uitstappen moet je sowieso!
  6. Hoe ziet het taalkundig landschap eruit? Welke talen en schriften worden er gebruikt op posters en op reclameborden? Ook: hoe heten winkels en waarom? Altijd wat te beleven, bijvoorbeeld of er over shawarma of shoarma wordt gesproken.
  7. Kan ik andere patronen ontdekken in ’s mens taalgebruik? Dit doen mensen om een of andere reden heel vaak bij mij. Ik schijn nogal veel in lijstjes te praten, en zeg dus heel vaak dingen als ‘dit is om twee redenen een goed idee’. Deze methode is wel voor gevorderden, want je moet goed opletten en best wat tijd met iemand doorbrengen.
  8. Turn-taking, ook al zo geweldig. Wie komt op welke manier aan de beurt? Op welke momenten in een gesprek valt iemand binnen, en op wat voor manier? Mensen doen dit intuïtief meestal goed: ze weten wanneer ze mogen beginnen, en ze weten wanneer ze zelf moeten stoppen. Het gaat ook weleens mis: ik hoor soms iemand proberen drie keer hetzelfde verhaal te beginnen. Fascinerend.
  9. Ja ja, Italianen praten met hun handen. Maar zij zijn echt niet de enigen: wij doen het ook, en ongetwijfeld doet eigenlijk iedereen het tot op zekere hoogte. Maar welke gebaren worden gebruikt om wat te ondersteunen? En kun je de vorm van het gebaar aan de betekenis koppelen? Dat laatste is vooral heel geinig: in mijn ervaring worden vaak hele vreemde gebaren gebruikt.
  10. Samentrekking. Het is een publiek geheim dat we heel veel woorden helemaal niet zo netjes uitspreken als we denken. Eigenlijk wordt eik, natuurlijk wordt tuuk. Maar het komt veel vaker voor, en er zijn wetmatigheden in het voorkomen te ontdekken (daar doet bv Mirjam Ernestus leuk onderzoek naar). Probeer langzaam na te zeggen wat iemand tegen je zei en verbaas je over de enorme hoeveelheid samentrekkingen.

En dit is maar het begin. Ik ben ontzettend benieuwd naar jullie ervaringen. Doen jullie bovenstaande onderzoekjes weleens? Op welke taalelementen letten jullie anders?

Iedereen maakt spelfouten, ook taaladviseurs II: meer spelfouten!

Ik schreef het al eerder: zelfs taaladviseurs maken weleens een spelfout. Dat is niet erg, maar het is wel goed om je te realiseren. Zeker in tijden dat ieder spelfoutje bij de bakker genadeloos wordt afgestraft op Facebook is het goed om te zien dat ook de beste paarden van stal weleens struikelen. We moeten zeker proberen om het aantal spelfouten tot een minimum te beperken, maar het is dus zeker niet zo dat alleen domme mensen zonder taalvaardigheid spelfouten maken. Ook het adagium ‘wie zonder zonde is werpe de eerste steen’ gaat voor taal niet op. Net zoals er dokters zijn die roken en diëtisten die BigMacs eten, zo zijn er taaladviseurs die spelfouten maken.

Het is opnieuw niet mijn bedoeling om mensen aan de schandpaal te nagelen. Als ik dat zou doen, dan zou ik er zelf direct bij moeten. Ook mij is namelijk niets menselijks vreemd, en ook ik maak dus weleens een spelfout. Sterker nog, ik ga met enige regelmaat in de fout. Soms is dat een gevolg van slordigheid. Maar in de onderstaande gevallen is er meer aan de hand. De oorzaak kan misschien in beginsel slordigheid zijn geweest, het feit dat zulke fouten in gedrukte boeken verschenen laat zien dat er ook iets misgaat bij de manier waarop mensen lezen. Daar is interessant onderzoek naar gedaan, ik meen in Antwerpen door o.a. Dominiek Sandra.

Hoe dan ook, als je hier alleen maar komt voor de spelfouten, dan ben ik je van dienst:

15. Oude kleren worden gaarne in ontvangst ge-genomen. (Van Wageningen 1941:17)

Normaal gesproken lijkt er in onze taal geen bezwaar te zijn tegen samenstellingen met half-; in Van Dalen staan er tientallen (Timmers 1994:141)

Niet alleen Femke maar ook Marrije speelde in de tuin. (Gillaerts & Heynderix 1999:98)

Deze regel voorde extra-n als het gaat om personen is ook van toepassing op andere woorden, zoals: meerdere(n), sommige(n), enkele(n), verschillende(n), laatste(n), meeste(n), eersten(n), enige(n). (Gerritsen 2001:176)

Mij zus verdient evenveel als ik. (De Vries 2004:426)

“Barbarismen zijn ontleende woorden en woordgroepen uit een vreemde taal. Ze zijn eigenlijk zonder noodzaak min of meer letterlijk overgenomen of letterlijk vertaal en daardoor in strijd met goed Nederlands.” (De Vries 2004:419)

Kies bij twijfel voor ‘ze’. Ik sommeer ze oqanverwijld te stoppen met shoppen. (Schaafsma 2013:117)

Er is natuurlijk best nog wat interessants te zeggen over deze spelfouten. Ge-genomen en eersten(n) zijn begrijpelijk: door afbreking of herhaling van een element sluipt zo’n foutje er zo in. Weglating is ook begrijpelijk, bij vertaal en mij zus, want in het proces van typen komt kan je vinger makkelijk over een letter heen schieten. Van een grammaticale fout lijkt me hier dan ook geen sprake (dit zou het geval zijn, wanneer de schrijver dacht dat ‘mij zus’ juist was). Van Marrije zou je kunnen zeggen, dat dit een bewuste keuze is. Maar een snelle blik in de Voornamenbank leert dat deze voornaam wel erg infrequent is, en je vraagt je af waarom iemand dat zou gebruiken in een voorbeeldzin, waarvan de functie toch vooral begrijpelijkheid zou moeten zijn. De laatste spelfout, oqanverwijld, lijkt een typefout. Maar het is wel een merkwaardige: hoewel de a en de q naast elkaar liggen, is liggen ze niet direct naast de o en de n.

Ere wie ere? Samenwerking in academia

Gisteren kreeg ik een mailtje van een collega, met wie ik een aantal jaar geleden een persoonlijk conflict had. Ik had deze collega recent om toegang tot een database gevraagd, maar dat weigerde deze. Een van de argumenten hiervoor was dat we eerst eens moesten praten, nu we toch op een bepaalde manier gingen samenwerken. Ik was hier behoorlijk verbaasd over: is het gebruikmaken van iemands database een vorm van samenwerken? Deze vraag vormde een mooie aanleiding om eens te reflecteren op de verschillende aspecten van samenwerking in academia.

Samen is meer is beter

Laat ik vooropstellen dat ik samenwerking, academisch of anders, een van de leukste dingen op aarde vind. Echt waar. Je product wordt er bijna altijd beter op, het is gezellig, het is inspirerend, het geeft enorm veel energie. Ik schrijf nu bijna 5 jaar met Sterre Leufkens bijvoorbeeld, aan Milfje en aan verschillende andere dingen (interviews, boeken). Wat begon als lollig samen verhaaltjes schrijven heeft zich zomaar ontwikkeld tot een van de belangrijkste en vruchtbaarste relaties die ik ooit heb gehad. Op academisch vlak zijn er mensen als Folgert Karsdorp en Viktorija Kostadinova, met wie ik aan fijne papers heb gewerkt, en die me om onduidelijke redenen echt serieus nemen. Recent heb ik aan een projectje over slogans gewerkt met mijn hilarische collega’s Joske Piepers, Sander Lestrade en Peter de Swart, en er staan plannen op stapel voor komend jaar met mensen als Nicoline van der Sijs en Roel Smeets. Ik wil maar zeggen: ik ben echt enorm gelukkig dat ik kan samenwerken met geweldige academici.

Dat ik samenwerken zo leuk vind heeft iets ironisch. Het academische leven is namelijk zeker niet een grote aaneensluiting van samenwerkingen. Sterker nog, je werkt volgens mij een stuk meer alleen dan samen. Ik heb het afgelopen jaar bijvoorbeeld eindeloos in catalogi boeken opgezocht, in benauwde ozonhokjes gescand, en achter m’n laptopje data in bestandjes gepropt. Alleen. Tot op zekere hoogte is dit de norm: uiteindelijk staat dat proefschrift op mijn naam, dus ik moet het werk ervoor doen. En weet je wat het raarste is: ik vind het niet eens erg. Hoewel het eenzame studeren een van de redenen was dat ik besloot een punt te zetten achter mijn muziekcarrière, vind ik het nu vaak heerlijk om lekker een dag alleen op m’n kamer te zitten zwoegen zonder een mens te spreken. Maar dat geheel ter zake.

Ere wie ere

Wat wel lastig is aan al dat samenwerken is hoe je omgaat met de credits. Toekenning van eer is een van de belangrijkste pijlers van de wetenschap (de andere lijkt me peer review), maar er zijn geen strak omlijnde protocollen om je aan te houden. Grofweg kun je credits op drie manieren toekennen: door een auteurschap, door een citatie, en door een plaats in de acknowledgements of het dankwoord. Die laatste vorm is vaak vooral een gebaar: in een academisch artikel staat ergens in een voetnoot dat die en die je hebben geholpen met feedback bijvoorbeeld. Het is leuk, maar je hebt er academisch gezien niks aan.

Aan een auteurschap daarentegen heb je wel wat. Je deelt dan de credits voor de productie van bijvoorbeeld een artikel. Je kunt iemand een auteurschap geven wanneer diegene echt actief heeft meegewerkt aan het product, door mee te schrijven of te denken, of door een experiment af te nemen. Hoeveel je daarvoor precies moet doen is echter onduidelijk, en wisselt bovendien enorm per vakgebied. Ik ken wel voorbeelden waarbij een hoge pief op een paper wil, ook al heeft hij nauwelijks iets gedaan. In sommige vakgebieden is het bovendien gebruikelijk bijvoorbeeld je promotor altijd op te voeren, opnieuw ook in situaties waarin diegene niks heeft gedaan. Het is een moeras: niet zomaar iedereen opvoeren, maar ook belangrijke bijdragers niet vergeten.

De derde vorm van credits is makkelijker: je kunt gewoon zeggen dat iemand anders al iets heeft gedaan, en dan zit je goed. Ik doe het zelf heel veel in deze blogs, en ook in artikelen. Je hoeft de mensen die je citeert niet te kennen, je hoeft ze niet gesproken te hebben, ze hoeven niet van je bestaan te weten, ze kunnen zelfs dood zijn. Dat is best een vreemd uitgangspunt, maar het is wel een manier om erkenning te geven aan anderen die aan jouw onderwerp hebben gewerkt. Zeker omdat je als academicus soms wordt afgerekend op citaties is dit ontzettend belangrijk. Maar van een samenwerking is in dit geval geen sprake.

Is data delen samenwerking?

En daarmee komen we terug bij de eerste vraag: is het delen van data een vorm van samenwerking? Dat hangt er maar net vanaf. Stel dat ik helemaal in mijn eentje een experiment draai en analyseer. Als iemand anders dan mijn data wil gebruiken, dan kan er sprake zijn van een samenwerking. Maar daar gaat het om dit geval niet om. Het gaat hier om een verzameling bronnen, die allemaal los beschikbaar zijn, maar waarvan een deel in een database is gestopt. Die database is gewoon online beschikbaar, met de expliciete doelgroep ‘andere onderzoekers’. Ik werk best veel met dit soort databases, en de vorm van eertoekenning heb ik altijd vrij eenvoudig gedaan: nummertje 2, een citaat. Maar niet iedereen denkt er blijkbaar zo over, en bij gebrek aan strakke regels is dat misschien niet zo gek. Ik kan er best begrip voor opbrengen dat het steekt als jij ergens hard voor hebt gewerkt, terwijl iemand zomaar met jouw harde werk aan de slag gaat. En toch: zo is het wetenschappelijk bedrijf ingericht.

Argumentatie en taaladvies (1): autoriteit

De afgelopen maanden heb ik me vooral beziggehouden met het in kaart brengen van grammaticaal taaladvies in de twintigste eeuw (waar ik al wel een of twee keer over schreef). Maar ik heb niet alleen leuke voorbeelden gevonden, of de ontwikkeling van germanismen bekeken. Ik heb ook een onderzoek gedaan naar de argumentatie die in taaladvies wordt gebruikt. Daar is namelijk allerlei interessants over te zeggen. Het grote probleem: niemand heeft ooit echt gelijk, want er is geen waarheid. Wat betreft welke taal goed en fout is zijn er alleen argumenten die meer of minder belangrijk worden gevonden. En dus gebruiken verschillende mensen verschillende argumenten om hun taaladvies te onderbouwen. Een daarvan is autoriteit.

Het klinkt misschien rellerig, zeggen dat niemand gelijk heeft. En toch is het zo. Er is geen enkel argument dat definitief de doorslag geeft in welke taaladvieskwestie dan ook. Het is namelijk een behoorlijk geaccepteerde taalkundige theorie dat er geen inherente eigenschap is die bijvoorbeeld ‘groter als’ beter maakt dan ‘groter dan’. Net zomin als ‘dog’ een beter woord is dan ‘hond’ om onze viervoetige vriend aan te duiden. Je kunt wel beredeneren waarom je het een beter of geschikter vindt, maar uiteindelijk blijft dat een mening. Geloof je mij niet, dan kun je altijd lezen wat Marc van Oostendorp laatst over de kwestie schreef.

Een van de manieren waarop je je oordeel over een kwestie kunt onderbouwen is door steun te zoeken bij een autoriteit. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: “Wat in het woordenboek staat is de norm, en dus houd ik me aan de norm van het woordenboek”. Dat doet Mesters bijvoorbeeld wanneer hij over woorden op -matig, -loos en -vol zegt: “Raadpleeg het woordenboek” (1954:61). Maar die autoriteit is niet voor iedereen zo absoluut. De Raat zegt bijvoorbeeld, in haar bespreking van overnieuw:

“Officieel is ‘opnieuw’ het juiste woord. ‘Overnieuw’ is ontstaan uit ‘over’ en ‘opnieuw’ en is dus een contaminatie. Het woord is echter zo ingeburgerd dat weinigen er nog over vallen. Van Dale denkt daar een beetje anders over. De redactie van het woordenboek heeft ‘overnieuw’ wel opgenomen, maar erbij gezet: gewestelijk. In woordenboekentaal betekent dat: niet in de algemene taal gangbaar. Nu lijkt me dat overdreven, gezien de frequentie waarmee ‘overnieuw’ wordt gebruikt.” (2013:63)

De Raat is het oneens met wat Van Dale zegt. En dat is prima: De Raat en Van Dale hebben evenveel recht op hun mening. Want dat is het: een mening. Je kunt die wel onderbouwen, maar een waarheid wordt het nooit. Overigens zijn er nog twee interessante opmerkingen te maken over het oordeel van De Raat. Ten eerste zegt ze dat opnieuw ‘officieel’ het juist woord is, maar zegt ze niet wie dat bepaalt. Ten tweede kent ze ook zelf autoriteit toe, maar dan aan een andere groep: de massa. Ze impliceert dat overnieuw acceptabel is, omdat heel veel mensen het gebruiken (ze gebruikt nog wat andere argumenten, maar die behandel ik een andere keer).

Het toekennen van autoriteit aan de massa komt vrij veel voor in het Nederlands. Zoals ik al eerder opmerkte komt dit argument vooral onder taalkundigen veel voor. Zij zeggen: “Het gebruik bepaalt, en als iedereen het goed vindt, dan is het dus goed”. Dit is natuurlijk hartstikke prescriptief: je schrijft wel degelijk voor wat juist is, je geeft er alleen een ander argument voor. Maar dat geheel terzijde.

Andere autoriteit

Een paar andere vormen van autoriteit worden nog erkend als onderbouwing voor taaladvies. Je kunt bijvoorbeeld een vorm goedkeuren omdat een grammatica of een grammaticus zegt dat het goed is. je kunt bijvoorbeeld zeggen: “Dit is goed omdat de Algemene Nederlandse Spraakkunst zegt dat het goed is”. En je kunt ten slotte ook de autoriteit leggen bij een bepaald persoon of bij een groep mensen. “Dit is goed omdat Shakespeare zegt dat het goed is”, of “Dit is fout omdat moedertaalsprekers zeggen dat het fout is”.

Voorkomen

Zoals ik al eerder schreef heb ik onlangs een set 20e-eeuwse taaladviezen geannoteerd voor argument. Daaruit bleek onder andere dat germanisme als argument niet meer zo salonfähig is. Ik heb ook voorbeelden van de verschillende autoriteiten geprobeerd te vinden. Wat bleek: toekenning van autoriteit aan een persoon of groep personen komt nauwelijks voor in Nederlands 20e-eeuws taaladvies. De andere drie typen argumenten (woordenboek, grammatica, massa) komen wel met enige regelmaat voor. Voorbeelden zijn respectievelijk:

“Als je wilt weten of een zelfstandig naamwoord vrouwelijk of mannelijk is, pak je het woordenboek, het Groene of het Witte Boekje erbij.” (Weverink 2012:47)

“Veel deskundigen vinden daarom het gekunstelde onderscheid tussen hun en hen achterhaald.” (Halink et al 1993 s.v. hen/hun)

“Maar moet ook ‘een aantal’ altijd gecombineerd worden met een enkelvoudige persoonsvorm? Veel mensen vinden van wel.” (Kooijman 1997:7)

In totaal werden autoriteitsargumenten in 8% van de gevallen gebruikt. Dat maakt het een behoorlijk marginale groep argumenten, binnen het taaladvies. Andere argumenten komen en kwamen veel vaker voor. Het is natuurlijk enorm verleidelijk om dit te koppelen aan een soort culturele eigenschap van de Nederlander, kijk ons eens lekker onze eigen weg gaan. Maar er is nauwelijks onderzoek gedaan naar argumentatie in taaladvies in andere talen. Of wij dus uniek zijn, dat kunnen we niet zeggen. Wel kunnen we zeggen dat bij het beargumenteren van goed en fout in taal autoriteit geen hele grote rol speelt.

Taaladvies in de 20e eeuw (1): de verdwijning van het germanisme

Ik las alle taaladviesboeken die ik kon vinden. Ik legde een database aan van de problemen die in de relevante boeken stonden. Nu is het tijd voor analyse: hoe ontwikkelde taaladvies zich in Nederland in de 20e eeuw? Vandaag wil ik het hebben over de ontwikkeling van germanismen. Spoiler alert: de afkeuring verdwijnt.

In een recente post stelt Marc van Oostendorp dat mensen geen germanismen meer kennen. Hij baseert zich op een leuke tweet, waarin iemand zegt “Dat heb je niet vaak, een Duitse anglicisme (ik weet het woord er niet eens voor) #grappig”. Opvallend dat er dus minstens één iemand is die het woord germanisme niet eens kent. Veel zegt dat nog niet: er zijn ook woorden die ik niet ken. Er is wel aanvullend bewijs voor de vervaging van de kennis van germanismen. Zo schreef ik in 2012 een paper (samen met de onverzettelijke Jasper Spierenburg) over de mogelijk correlatie tussen de herkenning van leenwoorden en afkeuring van die leenwoorden. Mensen bleken Duitse leenwoorden vaak niet als zodanig te herkennen. Een vergelijkbaar resultaat kwam uit het geweldige paper van Van Bezooijen, Gooskens en Kürschner (2009). Het ging in beide gevallen om kleine samples, dus men kan geen definitieve conclusies trekken, maar het zijn wel signalen die wijzen op de verdwijning van het idee van germanismen.

Als germanismen minder belangrijk worden, dan zou je dat ook kunnen zien in taaladvies. Dit is een hypothese die best toetsbaar is op het materiaal dat ik nu bij elkaar heb gebracht. Een deel van dat materiaal heb ik namelijk geannoteerd voor argumentatie: op basis waarvan wordt een bepaalde taalvorm afgekeurd? Ik heb over dit interessante onderwerp in juni op de Prescriptivism Conference in Park City, Utah verteld (proceedings volgen komend jaar). Op de aankomende Grote Taaldag in februari 2018 vertel ik iets over de argumentatie bij de kwestie als/dan in de 20e eeuw.

Hoe dan ook, één van de argumenten die ik annoteerde was germanisme. En wat bleek: germanisme als argument om taalvormen te veroordelen wordt steeds minder gebruikt naarmate de 20e eeuw vordert. De eerste grafiek hieronder laat zien hoe dat in absolute getallen gaat:

Screenshot 2017-11-16 08.08.05

Dat is natuurlijk al aardig, maar de vraag is of germanisme als Argument voor Veroordeling ook relatief verdwijnt. Het zou tenslotte kunnen dat er überhaupt minder taaladviezen zijn. Dat is echter zeker niet het geval. Niet voor de traditie als geheel (sinds 1990 verschenen er meer taaladviesboeken dan in de 90 jaar daarvoor), maar ook niet voor mijn sample. Ik nam namelijk per decennium (vanaf 1910) telkens 100 ingangen van mijn database (die bestond uit 130 werken overigens). Die ingangen konden meer dan één taaladviesprobleem bevatten (het schommelt tussen de 100 en de 270). De grafiek hieronder laat zien dat ook relatief gezien germanismen nauwelijks meer voorkomen als argument om een taalvorm af te keuren:

Screenshot 2017-11-16 08.19.41

Je kunt ook kijken naar specifieke gevallen. ‘Meerdere’ bijvoorbeeld. In de betekenis van ‘verscheidene’ wordt dat decennialang afgekeurd (bijvoorbeeld in Germanismen 1917, Moortgat 1925, NRC 1935, Damsteegt 1964 en Apeldoorn & Pot 1983). Maar wat zeggen de twee invloedrijkste taaladviesdiensten heden ten dage? De Taaladviesdienst van de Taalunie keurt dit gebruik goed, en noemt germanisme niet eens meer (behalve in de noten). Onze Taal zegt wel dat er ‘er (…) ook nog steeds mensen [zijn] die vinden dat meerdere in de betekenis ‘meer dan één’ afgekeurd moet worden als germanisme’, maar keurt het gebruik goed, en noemt ook nog een aantal bronnen die het gebruik niet afkeuren.

Betekent dit dat germanismen helemaal zijn verdwenen uit het taaladvies? Nee. Ik heb uiteindelijk een vrij klein sample genomen, de balans zou kunnen veranderen bij een ander sample. Bovendien zijn er werken die ik (om wat voor reden dan ook) niet heb meegenomen in mijn database. Werken waarvan ik weet dat er veel germanismen in woorden veroordeeld. Bas Hageman’s tendentieus getitelde ‘Barbarismen woordenboek. Hoe Nederlands is uw Nederlands nog?’ bijvoorbeeld. Maar opnieuw is dit wel degelijk een sterk signaal dat germanisme als reden van veroordeling ten opzichte van het begin van de 20e eeuw marginaal is geworden. Dit in tegenstelling tot de veroordeling van anglicismen, waar allerlei pamfletten mee worden volgeschreven.

Het verdwijnen van de veroordeling van germanismen laat mooi zien wat ik eerder deze week ook al beschreef, namelijk dat taaladvies niet los is te zien van maatschappelijke ontwikkelingen. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Engelse wereld en daarmee de Engelse taal sociaal en economisch alleen maar aan invloed gewonnen. Dit in tegenstelling tot Duitsland en het Duits. Niet vreemd dus dat de afkeuring van het Duits verdween. Of de recente politieke verschuivingen (meer Merkel dan May en Trump) hier verandering in gaan brengen is nog maar de vraag, maar ik verwacht het niet.

Opvallend taaladvies (6): foute talen

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik tegenkom. Vandaag iets over foute talen. Waarom wordt er eigenlijk alleen tegen Duits en Engels geageerd, maar niet tegen Indonesisch en Latijn?

Een bekend boekje van neerlandicus C.B. van Haeringen (1892-1983) is getiteld Nederlands tussen Duits en Engels (1956). Nomen est omen: in dit boekje wordt een vergelijking gemaakt tussen de drie talen. Het is een uitstekend geschreven boekje: lees het vooral. Belangrijk om mee te nemen is dat de vergelijking voor de hand ligt: Duits en Engels zijn van de talen die het dichtst bij het Nederlands liggen de grootste, zowel in sprekersaantallen als in culturele invloed. De talige invloed van de talen is dan ook groot geweest door de jaren heen, en het is niet verwonderlijk dat van alle buitenlandse leenwoorden juist germanismen en anglicismen het meest worden bestreden. Tot zover weinig nieuws. Iets minder bekend is misschien al dat de veroordeling van germanismen sterk afneemt naarmate de 20e eeuw vordert, terwijl de anglicismen in toenemende mate worden veroordeeld. Maar daarover graag een andere keer meer.

De derde groep leenwoorden waar veel tegen is geageerd bestaat uit de gallicismen. Ook hierover is veel te zeggen, zeker als je Nederlands-Nederlands en Belgisch-Nederlandse taaladviespublicaties vergelijkt. Ook hier is het een relatief open deur dat gallicismen in Belgisch-Nederlands veel vaker worden veroordeeld dan in het Nederlands-Nederlands. Dit is een natuurlijk effect van de tweetalige situatie die in België bestaat. Maar ook daar een andere keer meer over. Nu wil ik kijken naar juist de andere talen waaruit woorden moeten worden geweerd.

Het is opnieuw een open deur (het lijkt wel een zoete inval hier) dat het Nederlands woorden heeft geleend uit een groot aantal talen. Van Arabisch tot Japans, van Portugees tot Indonesisch: sla er het Groot Leenwoordenboek (Van der Sijs 2005) maar op na. Interessant genoeg wordt er nauwelijks tegen al die leenwoorden geageerd. Ik ben tot nu toe, in mijn studie van 20e-eeuws taaladvies slechts een klein aantal gevallen tegengekomen. Kijk maar:

Abituriënten. Een latijnsch-duitsch baksel, bij de heeren van het onderwijs in gebruik. Het zijn de leerlingen, die voor hum eindexamen geslaagd zijn, die dus van school afkomen. Vindt men geslaagden niet goed genoeg meer, de taal kan u helpen aan afkomelingen. (Haje 1932)

A-politiek, a-religieus, a-christelijk enz. Een verbijsterend dwaze vertooning met de Grieksche alpha privans in ons goede Nederlandsch. Daar roept iemand uit: “Immoraliteit of wat nog erger is…… a-moraliteit!” En nog blijven wij levend en huiveren niet eens, hetgeen misschien wel gebeurd zou zijn, had spreker zijn climax bereikt met geen moraliteit. Maar wij wilden wel hooren, waarom er geen b-moraliteit yolgde. Zou de A-kerk te Groningen inspiratief hebben gewerkt? Waartoe anders die streep achter a? (Haje 1932)

Alsmaar. Een Judaïsme > Nederlands telkens weer. In het Jidsch van Oost-Europa – zoo wordt ons van goeder hand verzekerd – leeft een als == aanhoudend. Dat als heeft ons aldoor, al maar door gebruikt als krukken, nam er maar van over en werd toen alsmaar. Eerst plat en moppig, thans heet het geestig en pittig. Straks raakt het nog in de gunst der aristocratie. (Haje 1932). Ook genoemd door Damsteegt (1954).

Ook vermijde men Amsterdamsch – hebreeuwsche– zinsconstructies als b.v.: Ik heb gelezen het boek, dat…. enz. in plaats van: Ik heb het boek gelezen, dat…. (NRC 1935)

zoetelaarster (Verkieselijk boven het Italiaans-Duitse “marketenster”) (Anon 1937)

latinisme woord of uitdrukking naar het voorbeeld van het Latijn en in strijd met het Nederlands taaleigen; in de renaissancetijd werden veel taalconstructies naar Latijns voorbeeld gebruikt; gangbaar zijn deelwoordconstructies in staande uitdrukkingen als: niets meer aan de orde zijnde (sloot de voorzitter de vergadering), ijs en weder dienende (gaat de wedstrijd door), maar infinitiefconstructies als: men beweert [die geruchten niet juist te zijn] dient men te vermijden:… dat die geruchten niet juist zijn. >barbarisme (Apeldoorn&Pot 1983:232)

latinismen Woorden en uitdrukkingen die uit het Latijn zijn vertaald en die in strijd zijn met het Nederlands. Er zijn niet zoveel latinismen. Een voorbeeld: De winkel gesloten zijnde, moet u bellen op nummer… Dit moet zijn: Als de winkel gesloten is, moet u … Of: Indien gesloten bellen op … (Dit kan echter ook betekenen: Indien u gesloten bent.) Niet: Gesloten zijnde, moet u bellen … -> beknopte bijzin (Van der Horst 1988:92)

Dit wil overigens zeker niet zeggen dat er geen andere gevallen zijn: ik ben nog best bezig met mijn corpus. Maar dat de afkeuring van andere talen enorm achterblijft bij die van het Engels en Duits, dat is duidelijk. Je zou dat vreemd kunnen vinden: veel van de argumenten die je kunt gebruiken om Duits en Engels af te keuren gaan net zo makkelijk op voor andere talen. Maar dit fenomeen legt eigenlijk precies de aard van taalpurisme bloot. Het gaat niet om taal, het gaat om sociaal.

De afkeuring van Engels en Duits is namelijk geen gevolg van het feit dat we juist die talen zo verschrikkelijk vinden. Het is een uitvloeisel van de vermeende socio-culturele invloed. Decennialang waren Duitsland, Duitse literatoren, Duitse filosofen, Duitse (taal)wetenschappers, de Duitse economie toonaangevend. Als gevolg daarvan was ook het Duits belangrijk. Nieuwe woorden voor nieuwe concepten ontstonden in het Duits, om vervolgens in het Nederlands te worden gebruikt, en mensen gingen meer Duits gebruiken vanwege het prestige dat de taal had. Dit soort gebruik stuitte op verzet: de taal werd als het ware het slagveld waarop de strijd tegen culturele en economische overheersing werd uitgevochten. De afkeuring van het Duits is goed te verklaren. Vul in deze paragraaf overigens Engels in, en de situatie van de afgelopen vijftig jaar is ook precies gevat.

Wat ook een rol speelt is de betekenis die een taal heeft binnen een breder kader van associaties. Duitsland en Engeland/de VS roepen bij ons beelden op, die al dan niet overeenkomen met de werkelijkheid. Maar de beelden zijn er. De landen, en de talen, zijn cultureel belangrijk. Talen als het Portugees of het Swahili zijn dat veel minder. Het is te vergelijken met een onderzoekje naar racistische moppen waar ik een paar jaar geleden op het Meertens aan meewerkte. Vervang een Turk door een Peruaan en niemand vindt de mop leuk. Peruanen hebben geen speciale betekenis binnen onze culturele beleving. Daarom keuren we dus wel Duits en Engels af, maar niet Italiaans. Overigens verklaart dit niet waarom er niet ook meer verzet was tegen bijvoorbeeld vroeger Indonesisch of tegenwoordig tegen Arabisch. Er spelen blijkbaar toch ook andere factoren een rol.

Waarom ik mijn proefschrift in het Engels schrijf

Afgelopen woensdag was ik precies een jaar bezig met mijn promotieonderzoek. Min of meer bij toeval besloot ik om die dag ook eens een stukje te gaan schrijven aan een hoofdstuk dat in mijn uiteindelijke proefschrift zal verschijnen. Ik heb al een tijd allerlei aantekeningen liggen over de afbakening van het taaladvies dat ik bestudeer (ik schreef er al eerder over), maar nu wilde ik hier toch een wat formelere versie van maken. Opgetogen toog ik dus aan het werk, en al snel stonden er flink wat woorden op papier. De taal van die woorden? Het Engels.

Waarom schrijf ik in hemelsnaam mijn proefschrift in het Engels? Ik promoveer in Nederland, aan de afdeling Nederlands Taal en Cultuur. De voertaal aan de universiteit waar ik promoveer is voor het grootste deel echt nog steeds Nederlands. Mijn begeleiders zijn Nederlands. Alle primaire bronnen die ik bestudeer zijn in het Nederlands gesteld. Belangrijkst van alles: de taal waar ik over schrijf is het Nederlands. En toch heb ik geen moment getwijfeld over de beslissing om in het Engels te schrijven.

Als je het zo leest, als ik het zo opschrijf, dan is dat natuurlijk best raar. Laakbaar ook: zou juist een taalwetenschapper die het Nederlands bestudeert niet moeten zorgen dat Nederlands de taal van de wetenschap blijft? Nou, ja en nee. Ten eerste is de taal van de wetenschap allang niet meer Nederlands. In geschreven vorm althans niet. Van bijvoorbeeld de proefschriften die in 2015 verschenen was slecht 3,2% in het Nederlands (zie Staat van het Nederlands onderzoeksrapport, pagina 253). Ten tweede beschouw ik mezelf niet als een onderzoeker van het Nederlands, die toevallig de taal bekijkt. Ik ben een taalwetenschapper, die (niet helemaal toevallig) het Nederlands bestudeert. Mijn gemeenschap is dus ook de internationale taalwetenschap, en die groep mensen is dan ook de primaire doelgroep van mijn proefschrift.

Veronachtzaam ik daarmee de Nederlandse wetenschappers? Geenszins. Ik ben zeker van plan delen van mijn onderzoek ook in het Nederlands te publiceren en te presenteren. Op 3 februari geef ik bijvoorbeeld als alles goed gaat een lezing op de Grote Taaldag in Utrecht, over de kwestie als/dan in 20e-eeuws taaladvies. In het Nederlands. Ik ben daarnaast bezig met het voorbereiden van een artikel over ‘je hoort het steeds vaker’ in taaladvies. Dat wil ik publiceren in een Nederlandstalig tijdschrift. Vorige week maandag gaf ik nog een lezing over de taal van politieke slogans. In het Nederlands. Maar de primaire doelgroep van mijn proefschrift is niet de Nederlandse taalwetenschapper: het is de taalwetenschapper. En voor die doelgroep is Engels de voertaal.

Ik merkte dat al op de conferentie waar ik in juni was. Afgezien van een Macedonische promovenda uit Leiden die onze taal had geleerd was ik de enige spreker van het Nederlands. Ik kan dan wel stug volharden in mijn taal, maar als ik daarmee mijn resultaten niet aan de man kan brengen, dan slaag ik niet in mijn doel. Wat is mijn doel eigenlijk? Daar is zowel een concreet als een heel esoterisch antwoord op. Het concrete doel op dit moment is om inzicht te krijgen in de relaties tussen taaladvies en taalgebruik. Het esoterischere doel is om een bijdrage te leveren aan het menselijke begrip van taal. In beide gevallen hoop ik dat anderen iets zullen doen met de resultaten van mijn onderzoek. Zo werkt dat in de wetenschap, althans dat vind ik: samen zwoegen we dag na dag om de Grote Toren van Kennis en Begrip een klein beetje beter te maken. Als ik wil dat andere steenhouwers en metselaars iets met mijn steentje doen, dan is het handiger om dat steentje Engels te maken.

Er is ten slotte nog een doelgroep voor mijn onderzoek: de niet-taalwetenschappelijke gemeenschap. Ik vind dat het mijn plicht is om de resultaten en methodes van mijn proefschrift ook voor die doelgroep te ontsluiten. Ik ga graag een andere keer in op de redenen. Maar van belang is nu dat je je kunt afvragen of mijn nieuwe kennis wel toegankelijk is voor iedereen, als mijn proefschrift in het Engels is. Het antwoord daarop is denk ik nee. Er is, lijkt me, een grote groep mensen die niet goed genoeg academisch Engels leest om zich door mijn aanstaande proefschrift heen te kunnen worstelen. Maar nogmaals: mijn proefschrift is niet bedoeld voor die mensen. Om die groep toch te bereiken is mijn plan om voor alle niet-taalwetenschappers met liefde een zogenaamde publieksversie schrijven. Een boek over mijn proefschrift specifiek bedoeld voor de niet-kenner, waarin ik begrippen kan uitleggen en meer context kan geven. Zo wordt iedereen bediend. Die publieksversie moet er gaan komen na de afronding van mijn proefschrift, dus laten we zeggen in het voorjaar van 2022. Geïnteresseerde uitgevers mogen zich alvast melden. Tot die tijd is er dit onderzoeksblog.

Dit is hoe ik erover denk. Ik ben benieuwd hoe anderen tegen deze lastige kwestie aankijken. Ik sta daarom, als altijd, open voor een constructieve discussie.

“Afgetrokken denkbeeld, professor!” Vreemde woorden uit 1937

Ik besprak al eerder de vreemde opzet van Op en Top Nederlands, een taaladviesgids uit 1937. Maar er is nog wel wat meer aan de hand met dat werkje: ook de inhoud is verbazingwekkend. Er worden namelijk veel woorden gebruikt die of zijn uitgestorven, of waarvan de betekenis in dit werk afwijkt van de betekenis nu. Tenminste, ik neem aan dat dit het geval is. Ik ken al die woorden namelijk niet, en dat is, zoals ik al eerder schreef, best verrassend.

Dat is alles wat ik erover wil zeggen. We moeten maar gewoon lekker gaan lezen. NB: als eerbetoon aan de anonieme schrijver van Op en top Nederlands staan de woorden in vrij-alfabetische volgorde.

rekkerig (Niet bepaald ziek, maar een beetje rekkerig)
hors — in de samenstelling: horsmakreel
adderspog
bink (Hij steekt de bink = spijbelt)
inbitter
hui
wiemel, ww.
vlijmkoker
vinlobbig
riem (Straatjongens maken de riem van hun broek los om mee te bakkeleien) (MM: het gaat me hier niet zozeer om het woord zelf als om het voorbeeld. Ik ken bakkeleien vooral als ruziën, maar dit is eerder vechten)
leurder
tuf-tuf
(Verkieselijk boven: „wagen”)
tuimelkar
(Verkieselijk boven: „kipkar”)
falsaris
laatte
(Hij is in de laatte)
roof
, znw. (Er is al een roofje gevormd op de wond)
afgetrokken (Afgetrokken denkbeeld, professor)
santjes (Nederlandse vorm van heil dronk, eigenaardiger dan het Franse „santé” of het Duits Latijnse „prosit”)
zuringzout
fep (Aan de fep)
zwalp, ww.
insteekkamer
afrij
(verkieselijk boven: „afrit”)
brijberg
kieskauwer

En weet je wat de lol is: zelfs in de verzameling vergeetwoorden kom je deze woorden niet tegen (probeer maar). Dit zijn dus de woorden die er nog onder liggen: wat schelpen en het ruisende gruis. Misschien ben ik gewoon te jong, of lees ik te weinig oude Nederlandsche boeken, maar ik had van geen van bovenstaande woorden ooit of te immer gehoord. Hallo zeg, m’n taalgebruik gaat er helemaal van naar de vaantjes! Maar dat het mooi is, dat staat buiten kijf. En jullie? Ooit van een van deze woorden gehoord? Ik hoor het graag!

Op en top Nederlands (1937): ’s Neerlands vreemdste taaladviesgids

Het afgelopen jaar heb ik een kleine 400 werken bekeken, die mogelijk taaladvies bevatten. Lang niet allemaal hebben ze hun plaats in mijn corpus verworven: dat gebeurt alleen onder bepaalde methodologische omstandigheden (waarover elders en later meer). De werken die het tot onderzoeksobject hebben geschopt zijn zeer uiteenlopend van aard: van woordenboeken tot meer essayistische boeken, geschreven door mannen of vrouwen, boos van toon of begripvol. Maar onder al deze werken is er één dat zó afwijkend is, dat het z’n eigen bespreking verdient. Het gaat hier om het boekje Op en top Nederlands : opsomming van woorden, waar het veilig is een keuze uit te doen zonder vrees een lelijk germanisme te bezigen (1937).

Taaladviesliteratuur

Boeken die zich bezighouden met taaladvies hebben over het algemeen een bepaalde insteek en omvang. Zoals de Australische taalkundige Pam Peters het stelt bestaat taaladvies over het algemeen uit

“a miscellany of linguistic cruces including spelling, pronunciation, lexical semantics, collocation, and grammar, which are mostly treated in isolation, without systematic appraisal of their place in the language” (2006:761)

De focus ligt dus op probleemgevallen (samenraapsel van moeilijkheden zou een adequate vertaling zijn). Advies wordt gegeven over die gevallen waar variatie bestaat, en waarbij een deel van de variatie ongewenst is. Die probleemgevallen worden als geïsoleerde gevallen behandeld, dus zonder een uitgebreide verhandeling over de taal als systeem waarin de fouten slechts bijkomstigheid zijn. Hierin verschilt het gemiddelde taaladviesboek van de normatieve grammatica, maar dat is een theoretische kwestie voor een ander moment. Ook voor een ander moment is een overzicht van alle verschillende manieren waarop taaladviesschrijvers met de materie omgaan.

Anders

Zoals de titel al doet vermoeden is echter alles anders bij Op en top Nederlands: opsomming van woorden, waar het veilig is een keuze uit te doen zonder vrees een lelijk germanisme te bezigen. Hier worden juist woorden genoemd die wél goed zijn. Dat is stevig ongebruikelijk, maar in principe zou het niet per se vervelend kunnen zijn. Helaas is het echter wel ingewikkeld. Een dergelijke insteek is namelijk erg lastig voor het gebruik. Normaliter werk je met een taaladviesgids door iets op te zoeken waarvan je weet dat het weleens problematisch is, maar waarvan je even niet meer weet welke vorm nu de juiste is. Overigens is de manier waarop mensen omgaan met taaladvies heel interessant, en is er nauwelijks iets over bekend (voor zover ik weet), maar ook dat is iets voor een andere keer. Voor nu is het genoeg om te zeggen dat de aanpak van Op en top Nederlands problematisch is. Stel dat je twijfelt over een woord, dan staat er lang niet altijd in of het ook daadwerkelijk een germanisme is. Je kunt er namelijk niet vanuit gaan dat als een woord er niet in staat, het automatisch fout is.

De vraag is namelijk of in dit werkje van iets meer dan 200 pagina’s dan dus álle woorden staan die goed zouden zijn in het Nederlands. Die suggestie wordt in ieder geval gewekt: dít zijn de woorden die sowieso geen germanisme zijn. Maar dat is alvast niet waar: tot niemands verrassing zijn er ontzettend veel woorden in het Nederlands die niet in het boekje staan. Vrij gangbare woorden als fornuis, eik, beker, jij, hart en vele andere staan er niet in. Sowieso zou het ook een vreemd uitgangspunt zijn: het verzamelen van ‘alle’ woorden is iets voor het woordenboek, en daar staat vaak al bij of een woord een germanisme is.

Twijfel

Als een woord niet in het boekje staat, is het dus niet automatisch fout. Dat is een lastig uitgangspunt. Het zou ook kunnen dat de schrijver bedoelde om al die woorden bijeen te brengen waarover twijfel zou kunnen bestaan. Dit uitgangspunt lijkt te worden gesuggereerd in het “Een woord achteraf” (nawoord is natuurlijk een germanisme):

(… )zijn in dit boekje bijeen gebracht de woorden en vormen (…) ten aanzien waarvan er reden is te veronderstellen dat zij niet zijn ontleend aan het Duits. Indien zij dus gelijken op Duitse vormen, in overeenkomstige betekenis gebezigd, ligt het voor de hand te geloven dat zij zowel in het Nederlands als in het Duits zijn ontleend rechtstreeks aan een derde taal, en dat zal meestal de gemeenschappelijke Noordse taal zijn, waar zowel de Hoogduitse als de Vlaams-Fries-Engelse groep van afkomen. (p. 213)

Maar als dit het geval is, dat hier alle woorden instaan waar twijfel over zou kunnen bestaan, dan is het vreemd dat het boekje woorden als hut (Duits Hütte) of eik (Duits Eiche) niet bevat. Daar zou tenslotte ook twijfel over kunnen bestaan, op basis van vormgelijkheid.

Alfabetisering

Er is nog een ander element heel vreemd aan Op en Top Nederlands. Kijk even naar de twee onderstaande pagina’s: het zijn pagina 67 en 68 van het boek.

Screenshot 2017-10-17 10.42.39.png

Als we kijken naar de aanwijzing voor de inhoud (slu-sme en sli-slu), dan valt op dat de woorden in andersomme volgorde worden gepresenteerd. Met andere woorden: het boek is van Z tot A geordend. Het eerste woord linksbovenaan de eerste pagina is zwem door, het laatste woord rechtsonderaan de laatste pagina is aanplakking. Maar wacht:  het woord aai komt voor, net als het woord zijwaarts. Dat zijn alfabetisch gezien de eerste en laatste woorden van dit boek, maar niet de eerste en laatste gedrukte. De indeling is namelijk binnen iedere pagina wél van A naar Z.  Dat levert dus afbrekingen op zoals hierboven: een lemma dat onderaan rechts nog niet af is, gaat links bovenaan verder. Ongelooflijk verwarrend.

Ik kan geen enkele reden bedenken waarom een schrijver of uitgever dit zou willen doen. Ik ben het in geen enkel ander taaladvieswerk tegenkomen. Sterker nog, ik kan me niet herinneren het ooit in welk werk dan ook te zijn tegengekomen. Is het gewoon een inbindfout? Misschien dat er woordenboekmakers zijn die dit kennen, misschien is het een gangbare hoewel zeldzame manier van indelen. Ik hoor het graag!