Wat gebruiken mensen: u hebt of u heeft?

Na een zomer van schrijven aan artikelen over uiteenlopende zaken (voornamen, vloeken, wetenschapsnieuws, leenwoorden) mag ik nu eindelijk weer doen wat ik het leukst vind: lekker met gebruiksdata klooien. Voor het onderzoek van mijn proefschrift bestudeer ik taalvariatie zoals die voorkomt in het taalgebruik van alledag. Eerder bestudeerde ik vooral de regels zelf, en bekeek ik de variatie bij ‘heel/hele’. Nu is de beurt aan een andere casus: zeggen mensen ‘u hebt’ of ‘u heeft’? Doorgaan met het lezen van “Wat gebruiken mensen: u hebt of u heeft?”

Kopje duikelen of koppeltje duiken?

Het begon vanmorgen met een stuk op Neerlandistiek van de hand van Marc van Oostendorp. Hij op zijn beurt verwijst naar een tweet van Michelle van Dijk, waarin zij vertelt dat ze de vorm ‘kopje duikelen’ tegenkwam in een boek. Beiden verbazen zich over die vorm: Marc zegt zelfs dat dit “heel raar” klinkt en zelfs “geen goed Nederlands” is. Een verbazingwekkende opmerking voor een taalwetenschapper (misschien is het ironisch): ik heb geleerd om in het aanschijn des variaties die te verklaren, of althans een poging daartoe te doen. Dat zal ik dan maar doen. En passant geeft deze casus een mooi inzicht in verschillende methodes die in de taalwetenschap worden gebruikt. Doorgaan met het lezen van “Kopje duikelen of koppeltje duiken?”

Goed scrabblewoord en onvertaalbaar: over folk definitions

Gisteren schreef ik al een Twitterdraadje over dit onderwerp, maar ik wil daar toch ook over bloggen: dan kun je net wat meer achtergrondinfo kwijt. Het begon met onderstaande tweet:

Nu kom je deze kwalificatie, ‘goed / mooi scrabblewoord’, wel vaker tegen (zie hier voor meer):

Iets minder vaak maar toch regelmatig zie je dat mensen, zoals de eerste twitteraar hierboven, dit juist géén goede scrabblewoorden vinden. Genoemde woorden scoren eigenlijk helemaal niet zo veel punten, of passen überhaupt niet op het bord. Aan de ene kant hebben deze mensen gelijk, maar aan de andere kant ook niet. ‘Goed scrabblewoord’ heeft namelijk een tweede betekenis, en door daarover na te denken komen we terecht in een van mijn favoriete onontgonnen subvelden van de taalkunde: de folk linguistics.

Doorgaan met het lezen van “Goed scrabblewoord en onvertaalbaar: over folk definitions”

Harbers werd genekt door verkeerde classificatie

Een top-10 en een restcategorie met 1000 gevallen hebben grote gevolgen gehad. Ex-staatssecretaris Harbers trad af omdat bepaalde misdaadcijfers niet expliciet genoemd werden in de Rapportage Vreemdelingenketen 2018. De politieke dimensie van deze kwestie is duidelijk, maar er zit ook een wetenschappelijke aan. Die is interessant, want die gaat over een probleem waar ik heel veel mee te maken heb, en met mij andere wetenschappers, maar waar nauwelijks aandacht voor is: de classificatie en presentatie van resultaten. Doorgaan met het lezen van “Harbers werd genekt door verkeerde classificatie”

De voordelen van een buitenlandverblijf

Voor de derde keer in mijn leven ben ik langere tijd in het buitenland. Was ik eerst musicus in Amman en student in Sydney, nu ben ik een heuse visiting scholar in Kiel. Een buitenlandverblijf voor promovendi wordt aangeraden, omdat het een van de dingen is waarnaar wordt gekeken bij beursaanvragen. Dat kun je laakbaar vinden (en dat vind ik ook), maar het is helaas de realiteit: hokjes afvinken is belangrijk om een beurs binnen te slepen. Toch zou dat zeker niet de enige reden moeten zijn om weg te gaan. Sterker nog: ik denk dat het voor alle promovendi (en studenten wat dat betreft) van onschatbare waarde is. Doorgaan met het lezen van “De voordelen van een buitenlandverblijf”

Taal Zuiveren in 1907, of De Waarde van Prescriptivisme voor Etymologisch Onderzoek

De werken die ik bestudeer bieden een oneindige bron voor verwondering. Over veel van de werken zou ik graag een historiografische verhandeling schrijven, maar daar gaat mijn proefschrift niet over. Gelukkig is er dit blog, om te vertellen over de interessante dingen die ik tegenkom. Zo schreef ik eerder al over Op en top Nederlands (1937), dat om meerdere redenen merkwaardig is. Nu kwam ik een ander boeiend werkje tegen: De kleine zuiveraar. Doorgaan met het lezen van “Taal Zuiveren in 1907, of De Waarde van Prescriptivisme voor Etymologisch Onderzoek”

Zijn taalkundigen wetenschappers?

Struinend door de Nederlandse wetenschappelijke publicaties van de afgelopen jaren kwam ik viavia terecht bij deze bespreking. Het is een verslagje over de ECI-prijs van 1989. Ik moet zeggen: ik vind het bijna jammer dat ik er niet bij was (ik was toen vier en interesseerde me nauwelijks voor prijsvragen over taal). De stukken teruglezend (ook dit artikel van Liesbeth Koenen) moet het namelijk een fijn relletje zijn geweest. Toch viel me vooral op hoe weinig er veranderd is aan de manier waarop veel mensen naar taalwetenschap kijken. Doorgaan met het lezen van “Zijn taalkundigen wetenschappers?”

Vliegschaamte voor wetenschappers

Van de week plofte er een mailtje op mijn virtuele deurmat van mijn universiteit, getiteld ‘Duurzaamheid en vliegreizen’. In het mailtje, dat zich als doel stelde ‘de dialoog aangaan over de noodzaak van onze zakelijke vliegreizen en mogelijke alternatieven onderzoeken’, werd ik gevraagd een enquête in te vullen over het onderwerp ‘internationale zakelijke dienstreizen’. Stomtoevallig had ik vorige week over dit onderwerp nagedacht. Ik vind het dan ook goed dat de dialoog wordt aangegaan (lekker voorzichtig gesteld), maar ik vraag me sterk af of mensen er voor openstaan. De vliegreizen raken namelijk aan een fundamenteel aspect van het wetenschappelijk bedrijf: conferenties. Maar ook over het nut daarvan kun je nadenken. Doorgaan met het lezen van “Vliegschaamte voor wetenschappers”

Beroepsdeformatie voor taalkundigen

Ik ben taalwetenschapper. Dat is mijn beroep, en ik voer dat met veel plezier uit. Het heeft echter ook een keerzijde: ik kan mijn taalbewustzijn eigenlijk niet meer uitzetten. Het maakt niet uit wat ik lees, hoor, spreek of schrijf: ik let altijd op. Niet op alles tegelijk, maar wel altijd.

Nu is dat deels vooral best wel handig. Blogger zijnde wil ik een bepaalde frequentie halen wat betreft blogposts. Het helpt dan best wel om altijd aan te staan, want zo heb je altijd iets om over te schrijven. Dat werkt, en dat levert stukjes op over alles van stapelacroniemen tot neuken in het woordenboek.

Het is ook nogal irritant. Neem bijvoorbeeld zijnde in de vorige alinea. Ik had een student voor wie dit het irritantste taaladviesitem was. Eenmaal hierop gewezen let ik er nu ALTIJD op. Volgens mij komt ‘zijnde’ zoals ik het gebruikte nauwelijks meer voor. Als het knopje eenmaal om is kan het niet meer worden teruggezet.

Sowieso zit ik natuurlijk in de hoek waar de klappen vallen, met mijn onderzoek naar variatie. Die variatie valt je dan telkens op. Neem wat en dat. In het gebruik van die woorden zien we variatie (zie hier voor een mooi artikel over deze kwestie): sommige mensen zeggen alles wat, andere alles dat, en ook komen zowel het besluit dat als het besluit wat voor (dat laatste zei onze eigen premier bijvoorbeeld in 2012 een keertje). Toen ik begon die variatie te bestuderen was het nog leuk: nu is er geen gesprek dat (wat?) ik nog normaal kan voeren.

Altijd altijd altijd. De lijst is schier eindeloos. Het gebruik van het woord schier! Een presentatie over uhh en um: ik kan stoppen ernaar te luisteren waardoor die variatie wordt veroorzaakt. Heel of hele, of zelfs heul! Iedere keer dat ik een tv-serie kijk moet ik stoppen wanneer er iets over taal wordt gezegd. Ook dat is bijzonder productief, want naar aanleiding van dat voorbeeld heb ik zelfs een artikel geschreven.

Maar ik wilde dat het ook een keer niet aan zou staan. De beroepsdeformatie is nu al intens, en mogelijk heb ik nog een lange carrière in het verschiet (hoewel). Wie weet hoe erg het nog wordt…

Een HEUL interessante kwestie

Afgelopen februari presenteerde ik op de Grote Taaldag, de jaarlijkste conferentie voor taalkundigen in Nederland, een deel van mijn onderzoek naar variatie bij de intensiveerder heel, als in ‘een heel grote auto’ en ‘een hele grote auto. Zoals al in 1901 bekend was, komt de verbogen vorm hele in gesproken taal heel veel voor (ja daar niet natuurlijk). De keuze voor hele lijkt vooral te worden bepaald door het aantal lettergrepen en de beginklank van het opvolgende bijvoeglijk naamwoord. Enfin, daarover een andere keer meer. Morgen echter geef ik op mijn alma mater, de Universiteit Leiden, op de jaarlijkse T.W.I.S.T. Student Conference for Linguistics, een presentatie over iets wat eerst bijvangst leek, maar wat HEUL interessant bleek: het woord heul. Doorgaan met het lezen van “Een HEUL interessante kwestie”