Op en top Nederlands (1937): ’s Neerlands vreemdste taaladviesgids

Het afgelopen jaar heb ik een kleine 400 werken bekeken, die mogelijk taaladvies bevatten. Lang niet allemaal hebben ze hun plaats in mijn corpus verworven: dat gebeurt alleen onder bepaalde methodologische omstandigheden (waarover elders en later meer). De werken die het tot onderzoeksobject hebben geschopt zijn zeer uiteenlopend van aard: van woordenboeken tot meer essayistische boeken, geschreven door mannen of vrouwen, boos van toon of begripvol. Maar onder al deze werken is er één dat zó afwijkend is, dat het z’n eigen bespreking verdient. Het gaat hier om het boekje Op en top Nederlands : opsomming van woorden, waar het veilig is een keuze uit te doen zonder vrees een lelijk germanisme te bezigen (1937).

Taaladviesliteratuur

Boeken die zich bezighouden met taaladvies hebben over het algemeen een bepaalde insteek en omvang. Zoals de Australische taalkundige Pam Peters het stelt bestaat taaladvies over het algemeen uit

“a miscellany of linguistic cruces including spelling, pronunciation, lexical semantics, collocation, and grammar, which are mostly treated in isolation, without systematic appraisal of their place in the language” (2006:761)

De focus ligt dus op probleemgevallen (samenraapsel van moeilijkheden zou een adequate vertaling zijn). Advies wordt gegeven over die gevallen waar variatie bestaat, en waarbij een deel van de variatie ongewenst is. Die probleemgevallen worden als geïsoleerde gevallen behandeld, dus zonder een uitgebreide verhandeling over de taal als systeem waarin de fouten slechts bijkomstigheid zijn. Hierin verschilt het gemiddelde taaladviesboek van de normatieve grammatica, maar dat is een theoretische kwestie voor een ander moment. Ook voor een ander moment is een overzicht van alle verschillende manieren waarop taaladviesschrijvers met de materie omgaan.

Anders

Zoals de titel al doet vermoeden is echter alles anders bij Op en top Nederlands: opsomming van woorden, waar het veilig is een keuze uit te doen zonder vrees een lelijk germanisme te bezigen. Hier worden juist woorden genoemd die wél goed zijn. Dat is stevig ongebruikelijk, maar in principe zou het niet per se vervelend kunnen zijn. Helaas is het echter wel ingewikkeld. Een dergelijke insteek is namelijk erg lastig voor het gebruik. Normaliter werk je met een taaladviesgids door iets op te zoeken waarvan je weet dat het weleens problematisch is, maar waarvan je even niet meer weet welke vorm nu de juiste is. Overigens is de manier waarop mensen omgaan met taaladvies heel interessant, en is er nauwelijks iets over bekend (voor zover ik weet), maar ook dat is iets voor een andere keer. Voor nu is het genoeg om te zeggen dat de aanpak van Op en top Nederlands problematisch is. Stel dat je twijfelt over een woord, dan staat er lang niet altijd in of het ook daadwerkelijk een germanisme is. Je kunt er namelijk niet vanuit gaan dat als een woord er niet in staat, het automatisch fout is.

De vraag is namelijk of in dit werkje van iets meer dan 200 pagina’s dan dus álle woorden staan die goed zouden zijn in het Nederlands. Die suggestie wordt in ieder geval gewekt: dít zijn de woorden die sowieso geen germanisme zijn. Maar dat is alvast niet waar: tot niemands verrassing zijn er ontzettend veel woorden in het Nederlands die niet in het boekje staan. Vrij gangbare woorden als fornuis, eik, beker, jij, hart en vele andere staan er niet in. Sowieso zou het ook een vreemd uitgangspunt zijn: het verzamelen van ‘alle’ woorden is iets voor het woordenboek, en daar staat vaak al bij of een woord een germanisme is.

Twijfel

Als een woord niet in het boekje staat, is het dus niet automatisch fout. Dat is een lastig uitgangspunt. Het zou ook kunnen dat de schrijver bedoelde om al die woorden bijeen te brengen waarover twijfel zou kunnen bestaan. Dit uitgangspunt lijkt te worden gesuggereerd in het “Een woord achteraf” (nawoord is natuurlijk een germanisme):

(… )zijn in dit boekje bijeen gebracht de woorden en vormen (…) ten aanzien waarvan er reden is te veronderstellen dat zij niet zijn ontleend aan het Duits. Indien zij dus gelijken op Duitse vormen, in overeenkomstige betekenis gebezigd, ligt het voor de hand te geloven dat zij zowel in het Nederlands als in het Duits zijn ontleend rechtstreeks aan een derde taal, en dat zal meestal de gemeenschappelijke Noordse taal zijn, waar zowel de Hoogduitse als de Vlaams-Fries-Engelse groep van afkomen. (p. 213)

Maar als dit het geval is, dat hier alle woorden instaan waar twijfel over zou kunnen bestaan, dan is het vreemd dat het boekje woorden als hut (Duits Hütte) of eik (Duits Eiche) niet bevat. Daar zou tenslotte ook twijfel over kunnen bestaan, op basis van vormgelijkheid.

Alfabetisering

Er is nog een ander element heel vreemd aan Op en Top Nederlands. Kijk even naar de twee onderstaande pagina’s: het zijn pagina 67 en 68 van het boek.

Screenshot 2017-10-17 10.42.39.png

Als we kijken naar de aanwijzing voor de inhoud (slu-sme en sli-slu), dan valt op dat de woorden in andersomme volgorde worden gepresenteerd. Met andere woorden: het boek is van Z tot A geordend. Het eerste woord linksbovenaan de eerste pagina is zwem door, het laatste woord rechtsonderaan de laatste pagina is aanplakking. Maar wacht:  het woord aai komt voor, net als het woord zijwaarts. Dat zijn alfabetisch gezien de eerste en laatste woorden van dit boek, maar niet de eerste en laatste gedrukte. De indeling is namelijk binnen iedere pagina wél van A naar Z.  Dat levert dus afbrekingen op zoals hierboven: een lemma dat onderaan rechts nog niet af is, gaat links bovenaan verder. Ongelooflijk verwarrend.

Ik kan geen enkele reden bedenken waarom een schrijver of uitgever dit zou willen doen. Ik ben het in geen enkel ander taaladvieswerk tegenkomen. Sterker nog, ik kan me niet herinneren het ooit in welk werk dan ook te zijn tegengekomen. Is het gewoon een inbindfout? Misschien dat er woordenboekmakers zijn die dit kennen, misschien is het een gangbare hoewel zeldzame manier van indelen. Ik hoor het graag!

Opvallend taaladvies (5): meer beeldspraak!

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag nog weer iets over de schitterende beeldspraak die ik tegenkom.

Eerder schreef ik al eens over de beeldspraak bij Haje. Hij gebruikt nogal kleurrijke vergelijkingen om taalvormen af te keuren. Hij is echter zeker niet de enige (hoewel er wel ook weer een voorbeeld uit zijn pen is!). Anderen doen het net zo goed, en verzinnen ook vreemde vergelijkingen. Lees mee en huiver.

Chemiker evenals techniker, vooral in tandtechniker, logiker, praktiker exemplaren uit een duitsch houtenklazengesticht. Het Nederlands aanvaardde technicus, chemicus enzovoort. Technist, vergelijk chemist, had geen bezwaar gegeven.
Wij bevelen den taalbeulen nog bloemikers en drogikers aan.(Haje 1932)

Psychologen mogen trachten de verklaring ervan te geven, maar het is een feit, dat vele mensen, die in het dagelijks leven de traditionele “zachtmoedigheid van het lam” vertonen, ware bestieën van wreedheid worden, zodra zij aan het schrijven gaan, en zich dan niet ontzien, een levend mens op de snijtafel te leggen en in mootjes te verdelen!”(Van Wageningen 1941:58)

Een zeer ouwe, droge, taaie koe uit een sloot vol haat is groter dan of groter als. (Veering 1959:114)

‘Via is een machtige woekerplant geworden.” En een pagina later: “Op de via-song zullen we maar het lievelingschanson ‘er­gens’ laten volgen.” (Dezaire 1964:172-173)

Een iets ander voorbeeld kwam ik tegen in Damsteegt 1964 (8). Het gaat me hier niet om de afkeuring zelf, maar om de geweldig oubollige voorbeeldzin.

Afwezig. In de betekenis ‘verstrooid’, ‘peinzend’, ‘mijmerend’ een gallicisme of anglicisme (Eng.: absently, absent-minded); niet juist is dus:

Hij zat met een afwezig gezicht voor zich uit te staren.
„Je leutert”, zei Duke, terwijl hij afwezig een rumboon in z’n mond stak.

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit niet uit een of andere roman komt, maar ik heb tot nu toe geen geluk gehad. Mocht iemand me uit de brand kunnen helpen door de bron te kennen, dan graag. Mijn zoekopdracht leverde namelijk een … interessant alternatief op.

Screenshot 2017-10-05 18.31.02

Postscriptum Het vreemde woord bestieën dat Van Wageningen gebruikt lijkt een germanisme: Duden noemt bestie – roofdier, onmens. In het Nederlands lijkt dit woord met een aan hapax grenzende zeldzaamheid voor te komen (dank Gaston voor het bemerken van de vreemdheid van dit woord).

Opvallend taaladvies (4): vroeger fout, nu goed

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag iets over woorden die vroeger fout waren maar waar nu niemand meer van opkijkt.

Een interessante vraag, waar voor zover ik weet nog geen antwoord op is gegeven, is of grammaticaal taaladvies hetzelfde blijft. Het vlugge, oppervlakkige antwoord dat ik nu durf te geven, op basis van mijn leestocht door meer dan honderd 20e-eeuwse taaladviesgidsen, is “ja, min of meer”. Er is een groep taalproblemen die keer op keer herhaald wordt: wat/dat, wiens/wier, hen/hun, etc. In het Engels heten zulke taalgebruiksproblemen old chestnuts. Wij hebben het helaas nog niet over oude kastanjes, hoewel dat heel aardig klinkt.

Ik verbaas me er best vaak over dat veel nieuwe taaladviesboeken doen alsof ze iets nieuws over een kwestie te melden hebben. Dat is zelden het geval. Ook verbaas ik me over de consument van deze boekjes. Je kunt tweedehands inmiddels allerlei taaladviesboeken kopen waar vrijwel hetzelfde instaat als in nieuwe publicaties. En toch blijven er nieuwe gidsen verschijnen. Is dat in het kader van ‘nieuw is altijd beter’? Misschien is het omdat er wel één vrij belangrijk element van het taaladvies lijkt te veranderen: de argumentatie. Daarover een andere keer meer.

Wat betreft woorden is er al wel eerder de aandacht gevestigd op gevallen die vroeger werden afgekeurd maar die nu vrij algemeen worden geaccepteerd. Het is dus zeker niet nieuw wat ik zeg. Maar ik denk dat het nuttig blijft het te herhalen: er zijn heel veel woorden die we nu zonder problemen gebruiken, maar die vroeger werden afgekeurd. Dit laat twee dingen goed zien: ons gebrek aan historisch besef, en de tijdgebondenheid van de afkeuring van barbarismen.

Daarom hier nog maar eens een lijstje. Zijn er woorden bij die toch als ‘fout’ worden ervaren? Ik hoor het graag!

Theepot, rauwkost, kostprijs, nieuwbouw, meningsverschil, nutsbedrijven, liefdesbrief, ansichtkaart, boemeltrein (liever sukkeltrein), slagroom, aanhangwagen , hakenkruis, Japanner (liever Japannees), meemaken, naslagwerk, omgeving, omstreden, pluimvee, beïnvloeden, gratis, voltreffer, schijnwerper, vorig jaar, zwarthandelaar, rolschaats, zelfbestuur, lustmoord (liever (?) seksuele moord), zeewaardig, toelaatbaar, inburgeren, brokstuk, daadwerkelijk, muilkorf, gegevens, bestek, kleinkunst, levertijd, opname (in het ziekenhuis, liever opneming), waardepapieren, loonplafond, folder, eenmalig, hoogwaardig, omstreden, provisorisch, je reinste onzin, alleenrecht, doelbewust, stekker, knalrood, komisch, koningspaar, loper (in schaken, liever raadsheer), meerwaarde, omwisselen, omgeving (liever: de mooie omstreken van Haarlem), vanaf 1 januari (moet zijn van 1 januari af), verkapt, succesvol, er het beste van maken, arbeidsongeschikt, slagzin, wereldwijd, de hoogste tijd, hoogglans, getalenteerd, muisstil, blikopener

Bronnen:  Siegenbeek 1847, Anoniem 1917, OnzeTaal 1932, NRC 1935, Van Wageningen 1946, Dezaire 1964

Lekker taalkennis naar de mensen toe

Ik schrijf niet alleen voor mijn eigen website en voor Milfje, maar zowaar ook nog wel elders. Afgelopen dinsdag verscheen bijvoorbeeld op Neerlandistiek.nl dit stuk, waarin in vertel over een recent artikel (2013, dat is nog steeds vrij recent in wetenschapsland) over leenwoorden in het voetbal. Het stuk is geschreven in het kader van de Neerlandistiek voor de klas, waar ook een nieuwsbrief bijhoort. Deze nieuwsbrief is bedoeld voor middelbare scholieren en hun docenten. Ik en andere neerlandici proberen in deze nieuwsbrief leuk en mooi materiaal te maken voor gebruik in de klas.

Hoewel het iedere maand weer iets extra is (het kost me toch minstens een dagdeel) vind ik het ontzettend leuk om te doen. Niet alleen oefen ik mijn schrijvende en kennisoverdragende vaardigheden, maar ook lees ik allerlei taalkundige artikelen die ik anders waarschijnlijk niet zou lezen.

Maar het is zeker niet alleen nuttig voor mij, het is ook leuk voor de leerlingen (hoop ik). Als ik zelf weleens lesjes gaf op middelbare (of basis-) scholen, dan merkte ik dat de belangstelling voor taal altijd groot was. Helaas wordt die belangstelling in het curriculum van het schoolvak Nederlands helaas wat mij betreft veel te weinig geactiveerd. Voor taalkunde is bizar genoeg geen plaats op school, hoeveel moedige pogingen er ook worden gedaan om mooie lesboeken te maken. Gelukkig zijn er docenten die dan maar op kleinere schaal proberen iets aan te doen. Ik kan alleen maar hopen dat deze stukjes daar een bescheiden bijdrage aan kunnen leveren.

Overigens schreef ik er tot nu toe zeven. Hopelijk worden het er nog meer.

1. Welke talen gebruiken mensen online?
2. Fout in je hoofd
3. Is er een verschil tussen Je bent aan het zeuren en Je zit te zeuren?
4. Jij of u: wanneer gebruik je wat?
5. Waarom zeggen mensen ‘hun hebben’?
6. Wie bepaalt welke taal mooi is?
7. Football of voetbal: wanneer passen we leenwoorden aan?

Ook taaladviseurs maken taalfouten (1)

Ik schreef al eerder over de spelfouten die je ook in boekjes over spelfouten ironisch genoeg kan vinden. Maar het blijft niet bij spelfouten: je komt ook weleens een regelrechte taalfout tegen in een taaladviesboek. Soms gaat het dan zelfs om een fout die de schrijver op een andere plaats expliciet afkeurt. Dat is natuurlijk nog veel ironischer dan een spelfout, en zeker de moeite van het delen waard. Maar opnieuw is het zeker niet mijn bedoeling om taaladviseurs belachelijk te maken. Ik wil alleen maar laten zien hoe snel een ‘foutje’ is gemaakt. We zijn allemaal slechts mensen.

“Beneden de grote rivieren leeft een sterker gevoel voor het woordgeslacht als daarboven.” (Wels 1988:83)

De kwestie als-dan is een van de Grote Problemen uit de taaladvisering. Er is veel over te zeggen, maar de basisregel in het Standaardnederlands luidt al langere tijd dat dan na een vergroting en als na een vergelijking komt. Hoewel hier ook wel weer schijnbare uitzonderingen op zijn: je zegt bijvoorbeeld wel “twee keer zo laag als”, hoewel daar wel sprake is van een vergroting.

Nu zijn er taaladviesgidsen die aangeven dat ‘sterker als’ best kan, maar daar wordt wel altijd de nuancering bij gemaakt dat het informeler is, en dat áls je het gebruikt, je het toch wel tot de spreektaal moet beperken. Een geval als het bovenstaande zal niet licht worden goedgekeurd.

“Als er geen zelfstandig naamwoord achter woorden als alle, vele, sommige, beide staan, krijgen ze meestal geen n maar soms wel.” (Bouman 2006:108)

De vorm van dit advies is al niet helemaal gelukkig gekozen: meestal niet maar soms wel? Gelukkig wordt dat later opgeklaard. Maar de vorm van het werkwoord staan, daar is niks van te maken: dat moet gewoon staat zijn. De vorm hoort immers bij zelfstandig naamwoord, en dat staat in het enkelvoud. De verwarring is best te begrijpen, want woorden is meervoud, en dus zou je kunnen verwachten dat het werkwoord daarmee congrueert. Maar dan zou ik willen lezen: “Als er geen zelfstandige naamwoorden achter woorden staan”. En dus klopt dit volgens mij gewoon niet. Daarnaast ervaar ik de verwijzing met ze als ongelukkig: het moet wel terugverwijzen naar woorden als etc., maar dan was volgens mij die helderder geweest.

Er is een categorie bijvoeglijke naamwoorden die wat extra aandacht verdient omdat ze zich anders gedragen dan andere bijvoeglijke naamwoorden.” (De Raat 2013:48).

Deze is een beetje flauw. Dergelijke verschuivingen komen heel vaak voor, en worden zeker niet altijd als fout ervaren. Maar ja, dat is natuurlijk met wel meer vermeende taalfouten het geval. Hier gaat iets mis met de congruentie, oftewel met de verwijswoorden die worden gebruikt. Die verwijswoorden zijn namelijk niet consequent wat getal betreft. Er is eerst sprake van een enkelvoud (er is een categorie), dat wordt bevestigd (die verdient), waarna plotseling naar een meervoud wordt omgeschakeld (ze gedragen zich). Heel begrijpelijk, op zich: het gaat om hoe de verschillende bijvoeglijke naamwoorden zich gedragen. Veel taaladvies stelt dat je in dit soort gevallen kunt kiezen om woorden als categorie, groep, aantal als meervoud of enkelvoud te interpreteren, naar gelang de nadruk die je wil leggen. Maar over het algemeen is de regel wel dat je dan consequent bent, en de hele tijd voor enkelvoud of meervoud kiest. Halverwege de zin wisselen is niet bon ton, aldus de meeste taaladviseurs. Vergelijk Van Wageningen (1946:152), die schrijft: “Bij herhaling heb ik in dit boek bij den lezer aangedrongen op consequentie, op het vasthouden aan een eenmaal gekozen vorm van uitdrukking der gedachten. Deze eisch geldt ook voor het (taalkundig) geslacht en getal.” En ook Van der Pol (1997:162): “Kies voor enkelvoud of meervoud en blijf daarin consequent. Gebruik in een zin of tekst beide vormen niet door elkaar.”

“Er zijn een aantal regels, die men vroeger angstvallig gehoorzaamde, maar die nu geen zin meer hebben, doordat ze op verouderde taalbeschouwing berusten.” (Staverman en Brandsma 1956:4).

Dit voorbeeld is verwant aan dat hierboven. Welke werkwoordsvorm moet je gebruiken na ‘een aantal’? Het is een taaladviesprobleem dat ik keer op keer tegenkom in de literatuur. Sommige adviseurs (bijvoorbeeld Timmers 2007:185-186) stellen dat ‘aantal’ echt alleen met een persoonsvorm in het enkelvoud kan voorkomen. In andere boekjes wordt een nuance gemaakt: als je het geheel wil benadrukken is enkelvoud beter, als je de nadruk wil leggen op de verscheidenheid. Dit is niet per se een nieuw sentiment: Charivarius zei tenslotte in 1940 al: “Verzamelwoorden als tal, aantal, menigte, hoeveelheid, kunnen het meervoud hebben: Een aantal ( = vele) leden waren tegenwoordig. (p.22) ” Toch lijkt deze opvatting nog steeds in de minderheid.

Maar Staverman en Brandsma zelf hebben ook iets over de kwestie te zeggen:

“Al is van een grammaticaal standpunt bezien het meervoud ‘fout’ te noemen, beide vormen zijn toch ‘goed’. Men kan hier de grammaticale en de psychologische opvatting toepassen.” (1956:10)

Aha! Dan is er dus eigenlijk niks aan de hand! Ze vinden het zelf immers geen probleem. Inderdaad gebruiken ze zelf op een andere plek in hun boek (p. 2) aantal met enkelvoud. Ze praktiseren dus wat ze zelf preken.

Promoveren is precies wat ik wil doen

Vandaag is het jaarlijkse afdelingsuitje van de afdeling Nederlands van de Radboud Universiteit. Vorig jaar was het afdelingsuitje zo ongeveer mijn eerste kennismaking met de universiteit, en sowieso met de afdeling Nederlands. Maar ook met mijn nieuwe bestaan als promovendus. Het verstrijken van zo’n jaar vraagt om enige reflectie, zeker als je zo sentimenteel bent als ik. Is dit het nou? Is het gegaan zoals ik had verwacht? Ben ik tevreden? Het antwoord is een volmondig ja.

Ik wist al van ongeveer het tweede jaar bachelorstudie af dat ik wilde promoveren. Natuurlijk had ik er toen al een andere opleiding en een aantal jaar werken op zitten. Maar toch was het vroeg. Nu terugkijkend kan ik niet precies de vinger leggen op de oorsprong van mijn verlangen. Ik had best was goede vrienden in mijn omgeving die promoveerden, en ik denk dat het idee van doorleren me zelfs toen al aansprak. Daarnaast had ik wel oren naar een situatie waarin ik betaald kreeg om werk af te leveren, maar tegelijkertijd meer kon leren over allerlei interessante ideeën. Ik werkte in die tijd namelijk ongeveer drie dagen naast mijn voltijdstudie, en had dus eigenlijk voor alles net minder tijd dan ik wilde. Het idee van min of meer zorgeloos langere tijd te kunnen besteden aan échte verdieping sprak me enorm aan.

Maar hoge verwachtingen scheppen druk. Maakt het langgewenste de verwachtingen waar? Meestal niet, is mijn ervaring. Legio zijn de boeken die me niet bevallen, niet omdat ze per se echt heel slecht zijn, maar omdat de recensies té lovend waren. De golden boy van de Franse literatuur kan alleen maar tegenvallen, een film waar iedereen lyrisch over is kan me zelden bekoren. Zeldzamer dan tanden bij een kip is de ware ingeloste belofte. Toen ik dus in in mei 2016 het verlossende telefoontje kreeg dat ik in Nijmegen mocht gaan beginnen, was ik vanaf het begin af aan op mijn hoede. Ik was bang dat dit ding dat ik al jaren wilde een gevalletje bezit-van-de-zaak zou blijken.

Gelukkig is dat helemaal niet het geval gebleken. Nu, na zo’n 10 maanden, heb ik het gewoon ontzettend naar mijn zin. Ik vind het inderdaad heerlijk om langere tijd met een project bezig te kunnen zijn, zonder dat ik na drie maanden een paper moet afhebben en daarna iets anders moet gaan doen. Ik mag interessante boeken lezen, ik kan over die boeken praten met mensen die ze ook hebben gelezen. Ik heb veel dagen het gevoel dat ik meer weet en kan dan de dag ervoor. Dat is een onvoorstelbaar fijn gevoel.

Betekent dit alles dat ik iedere dag fluitend naar mijn werk ga? Zeker niet. Er zijn dagen dat ik geen zin heb. Er zijn klusjes die ik liever arm dan rijk ben. En er zijn momenten waarop ik twijfel, aan mijn onderzoek, aan mijn kwaliteiten, aan mijn toekomstperspectief. Maar die dagen zijn verre in de minderheid. Veelvuldiger zijn de dagen dat ik opsta en niet kan wachten om aan de slag te gaan.

Een belangrijk onderdeel daarvan (zie hier het bruggetje met het uitje) zijn collega’s. Niet alleen van mijn afdeling (die ik ook hogelijk waardeer), maar überhaupt mijn collega-taalwetenschappers, ook van andere plekken. Met vrijwel iedereen (een uitzondering helaas daargelaten) kan ik praten over gekke eigenschappen van het Nederlands in het bijzonder en taal in het algemeen. Ik kan ze warm maken voor rare onderzoeksprojecten, over politieke slogans of koloniaal taaladvies. Ik kan me identificeren als lid van een groep waar ik graag lid van ben.

Het feit dat er meer promovendi om me heen zijn die met precies dezelfde problemen en uitdagingen moeten omgaan als ik is ook fijn. Dat schept een band. Maar het is meer dan dat: het zijn bijna allemaal mensen die minstens net zo gretig, hongerig en ambitieus zijn als ik. Die interessante stukken schrijven, die symposia organiseren, die naar conferenties gaan. Dat werkt voor mij inspirerend. Als iemand anders een mooie publicatie heeft, denk ik: hodie tibi, cras mihi.

Kortom: ik ben precies waar ik wil zijn. Dat is ook weleens goed om uit te spreken, en goed om bij stil te staan. Er komt misschien een dag, dat mijn moed faalt. Een dag waarop ik mijn onderzoek en mijn collega’s verzaak. Maar vandaag is niet die dag. Vandaag ben ik gewoon blij met wat ik doe. Vandaag ben ik precies op mijn plek.

Hoe doe ik onderzoek (2) Data maken

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen(bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Eerder schreef ik over temporele afbakening, vandaag leg ik uit hoe ik data maak.

Sinds vorige week maandag heb ik een nieuwe kamergenoot, een Chinese psycholinguist. Zoals dat gaat legde ik uit wat ik aan het doen was. Vol trots wees ik op het getal op m’n whiteboard: nog maar 33 boeken hoefde ik in mijn database in te voeren! Eerst keek hij me niet-begrijpend aan, maar toen ik liet zien dat ik delen overtypte sloeg zijn onbegrip al snel in ontsteltenis. Ik typte boeken over?! Was ik achterlijk? Daar moest toch een AI-oplossing voor zijn? Helaas, zei ik, was het maar zo. Maar Google Translate dan? Nee, dat werkte ook niet. Maar een promovendus hoorde toch niet zulke handenarbeid te doen? Kon ik geen studentassistenten regelen? Dat zou ik wel willen, maar die mensen kosten geld en dat is er niet onbeperkt. Op een gegeven moment trad er een Babylonische verwarring op, maar ik vrees dat ik niet heb kunnen uitleggen dat overtypen voor mij een hele normale activiteit is.

Want inderdaad: een groot deel van mijn werkzaamheden bestaat al maanden uit het overtypen van boeken. De meeste boeken hoef ik gelukkig niet echt over te typen: ik hoef ze alleen te corrigeren. Want we hebben een techniek die Optimal Character Recognition heet (OCR voor vrienden). Met die techniek kun je van een foto een doorzoekbaar tekstbestand maken. Ik maak dus scans van pagina’s, die draai ik door Abbyy Finereader (schaamteloze reclame), en dan heb ik tekst. Dat maakt mijn leven héél veel makkelijker, maar niet perfect. OCR is namelijk verre van perfect: afhankelijk van de kwaliteit en de leeftijd van de bron moet ik meer of minder corrigeren. OCR kan namelijk niet omgaan met vlekjes, voegt spaties toe, en verandert sommige letters. Nu zou je daar misschien regels voor kunnen formuleren, om zo postcorrectie automatisch te doen. Iets wat bijvoorbeeld vaak fout gaat, is dat een ij een y wordt. Maar dat wordt vaak, daar zit ‘m de grap: die veranderingen vinden niet altijd plaats. Het hangt er vanaf hoe de staat van de bron is, en zelfs dan gaat het soms op voor mij verrassende momenten fout. Een handmatige check is dus onontkomelijk.

En naast de fouten van OCR zijn er nog aanpassingen die ik bewust wil doen aan mijn bronmateriaal. Mijn doel is om een doorzoekbare database te maken van taaladvies. In eerste instantie is die alleen voor mezelf, want op veel werken zit nog copyright. Van het Bridging the Unbridgeable-project uit Leiden weet ik hoeveel tijd er gaat zitten in het verkrijgen van toestemming om een deel van zo’n werk toch openbaar te maken, zelfs achter een wachtwoord. Hoe graag ik dus ook mijn data wil delen, dat mag in ieder geval deels niet. Hoe dan ook, ík moet wel door de database kunnen zoeken. Dat wil ik deels automatisch kunnen doen, door (simpel voorbeeld) een woord in te typen en dan alle gevallen terug te krijgen van dat woord. Dan is het wel handig als ik sommige dingen in de tekst oplos. Spatiëring bijvoorbeeld: dat is o n h a n d i g als je een zoekopdracht formuleert. Maar ook woordafbreking en afkortingen los ik op. Zo krijg je dus geen natuurgetrouwe database van het taaladvies, maar wel een waar ik het optimaal mee kan werken. Dat is hier het belangrijkst.

Het is de realiteit voor de historisch taalkundige, dat helaas niet alle bronnen die je zou willen doorzoeken digitaal beschikbaar zijn. Je moet dat voor een deel zelf invoeren. En uiteindelijk: is het erg, om zo veel van mijn bronmateriaal door te moeten lezen? Ik denk het niet. Ik leer het spul heel intiem kennen. Dat is ook zeker wat waard, zeker in een tijd waarin we door het gemak van digitale tools soms ver van de rauwe data blijven. Ik ga in de toekomst ook zeker technieken gebruiken waarmee ik meer afstand neem van mijn materiaal, maar ik heb dat materiaal nu wel heel goed in de vingers. Dat stelt me later in staat (hopelijk) de juiste vragen te stellen aan de techniek. Voor nu type ik onverstoord verder. Toen ik dit stukje begon moest ik er nog 33, nu nog 30. Leve de voortgang der wetenschap!

Hoe doe ik onderzoek (1) Temporele afbakening

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen (bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Vandaag direct een belangrijke kwestie: temporele afbakening.

In de grond is mijn onderzoek een comparatieve studie. Op het meest elementaire niveau komt mijn werk op het volgende neer: ik neem twee collecties data. Die vergelijk ik, en ik probeer relaties tussen ze te identificeren. Vervolgens probeer ik die relaties of het gebrek daaraan te verklaren. Dat klinkt heel simpel, en op dit niveau is het dat ook. Maar als je inzoomt zijn er natuurlijk allerhande moeilijkheden en methodologische kwesties. De eerste kwestie die ik moest oplossen, maar waar ik blijvend mee bezig ben, is afbakening.

In fase 1 bestudeer ik de ontwikkeling van taaladvies in de 20e eeuw. Kijk, daar heb je al meteen minstens twee afbakeningsproblemen. Ten eerste is er het punt van de 20e eeuw. Een temporele afbakening is een lastig iets: wat is logisch? In mijn onderzoeksvoorstel staat dat ik onderzoek doe naar de periode 1805 tot nu. Dat is om meerdere redenen een logisch punt. Ten eerste situeert Daniel Baggioni (geciteerd in Burke 2004:10) een van zijn ‘ecolinguistic revolutions’ (grote omwentelingen in de taal in Europa) in 1800 (de andere twee zijn in 1500 en 2000). Het is natuurlijk ook historisch een belangrijk moment, zo na de Franse Revolutie. Meer specifiek kwamen in 1804 en 1805 de officiële spelling van Siegenbeek en de officiële grammatica van Weiland uit. Een officiële spelling zou niet zo bijzonder blijken, daarvan zijn er inmiddels nog wel een paar verschenen. Maar een officiële grammatica, daarvan is de Nederduitsche Spraakkunst van Petrus Weiland de laatste.

Het feit dat de grammatica van Weiland officieel door de Nederlandse staat erkend is, geeft ook theoretisch een mooi ijkpunt. Het past namelijk mooi in het theoretisch model over taalstandardisatie van Milroy en Milroy (2012:22-23). Hierin is ‘codificatie’ het een-na-laatste stadium, waarna het laatste stadium, prescriptivisme, volgt. Simpel gezegd is codificatie het moment waarop de regels van een taal expliciet worden vastgelegd, en is prescriptivisme het stadium waarin de ‘officiële’ normen vervolgens worden herhaald en gehandhaaft. Je zou kunnen beargumenteren dat dit laatste stadium aanbrak met de publicatie van Weiland’s grammatica. Dat was immers het moment van codificatie. Let wel: dit betekent niet dat de standaardtaal toen ook door iedereen (of zelfs door een minderheid van mensen) werd gebruikt, maar wel dat er een vastgelegde norm was met een bepaalde officiële status. Overigens: hoe de norm van Weiland en Siegenbeek zich verspreidde is een fascinerende vraag, waar gelukkig in het Leidse Going Dutch-project onderzoek naar wordt gedaan.

1805 leek dus een mooi moment om te beginnen. Helaas bleek dat toch om twee redenen geen haalbaar idee. De eerste reden was de omvang van het onderzoek. Ik ben nu een maand of 10 bezig met het in kaart brengen van taaladvies, maar ik ben nog nauwelijks begonnen met de 19e eeuw. Als ik daar nu nog mee aan de slag zou gaan, dan ben ik een onevenredig deel van mijn promotietraject kwijt aan het in kaart brengen van taaladvies. Maar ik wil niet alleen beschrijven: ik wil verder! Ik wil verklaren, ik wil begrijpen. Het is een vervelende keuze, maar een waar ik niet aan ontkom: ik moet verder.

De tweede reden is dat de aard van taaladvies anders lijkt te zijn in de 19e en de 20e eeuw. In de 19e eeuw (en eerder) verschenen er vooral normatieve grammatica’s: die bevatten beschrijvingen van het Nederlands als systeem, met her en der een uitspraak over wat goed en fout is. Vanaf het begin van de 20e eeuw echter (een 19e eeuwse uitzondering zoals Siegenbeek 1847 daargelaten) begon er een ander type taaladvies te verschijnen. Daarin werd veel meer gefocust op juist die specifieke stukjes taal waar men ongewenste variatie tegenkwam. De vorm veranderde. Ik wil me op die traditie richten. Ik weet dat die voortkomt uit eerder werk, maar nogmaals: ik kan niet alles doen. De taaladviestraditie in de 20e eeuw is nauwelijks als zodanig bestudeerd. Daar ligt dus nog interessant materiaal voor mij.

Er is dus wel iets te zeggen voor de keuze om het begin van mijn project in 1900 te leggen. Inmiddels heb ik in overleg met mijn promotors dan ook besloten me hier op te richten. Na één luttel jaar heb ik dus al een hele eeuw van mijn onderzoeksobject geschaafd. Ik denk dat het een goede keuze is, maar het lijkt wel radicaal. En je kunt er, denk ik, zeker kritiek op hebben. Dat kun je denk ik altijd hebben op methodologische keuzes. Ik denk echter dat ik me de keuze kan verdedigen. Uiteindelijk leidt dit me naar een beter proefschrift en beter afgebakend onderzoek. En dat is tenslotte het doel.

Opvallend taaladvies (3): onbekende woorden

In deze fase van mijn onderzoek lees ik de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Om vandaag na de vakantie weer rustig in het schrijfritme te komen een luchtig en kort stukje over onbekende woorden.

Een tijdje terug bracht ik voor het eerst wat langere tijd door met mijn geweldige achternichtje. Ze is zes jaar oud, en heeft net leren lezen. En nu wil ze dan ook echt alles lezen wat los en vast zit. Zo hebben we samen station Heerenveen gelezen. Ik bedoel dan niet een bordje waar dat opstaat. Nee, we hebben álle aanplakbiljetten, reclames, verordeningen etc. gelezen. Heerlijk, en herkenbaar: zo was ik ook. Zo ben ik eigenlijk nog steeds. Al zo lang ik me kan herinneren lees ik alles wat me voor handen komt. Mede als gevolg daarvan (vermoed ik) heb ik een behoorlijke woordenschat. Tenminste, dat denk ik van mezelf. En toch kom in de taaladviesgidsen (en andere werken) die ik nu lees nog weleens woorden tegen waar ik nog nooit van gehoord. Woorden die ik voor zover ik weet zelfs nog nooit ben tegengekomen. Hier een paar mooie vondsten:

  • “Kaapt dus Jufvrouw Galliette, zoo als, meen ik, de groote Hoogduitsche Dichter Klopstoch ergens, al boertende, het Fransch noemt (Lulofs 1826:8)
  • Blaamsmet, dat bij een’ anders keurig Schrijver voorkomt, is, als eene overtolligheid behelzende, naar mijn oordeel, af te keuren. (Siegenbeek 1847:16)
  • “Mede opvallend is, in de jongenstaal vooral, het gebruik van ‘bocht’ als bijv. nmw., tengevolge waarvan een blasé gymnasiast bijvoorbeeld zal spreken van ‘bochte keeten’ = leelijke meisjes, waarop alleen ‘mallote’ jongens verliefd kunnen worden” (Van Wely 1906:101)
  • lias – brievensnoer” (ANV 1917:180)
  • “Die studeertafelacribie heeft, dacht ik, de beoefening van het vak ‘taakvelverzorging’ bepaald geen goed gedaan” (Kolkhuis Tanke 1975:3)

Is dat niet heerlijk? Het zijn allemaal woorden die niet of nauwelijks meer worden gebruikt: een snelle zoektocht door het online Volkskrantarchief laat zien dat het woord acribie bijvoorbeeld sinds 1995 slechts 14 keer werd gebruikt in die krant. Misschien is het toe aan een revival. Om van bochte keeten nog maar te zwijgen: de volgende keer dat ík ruzie heb op straat weet ik al wel wat ik ga roepen. Dat zal ze leren!

Gedachten over een petitie tegen mijn onderzoek

Je leest het goed. Er is een petitie tegen mijn onderzoek. Niet tegen mijn huidige onderzoek naar taaladvies (hoewel het niet ondenkbaar is dat die er ooit komt), maar naar onderzoek dat ik deed in het kader van het vorige project waaraan ik werkte. Staat van het Nederlands (StaatNed voor vrienden) was dat. In dat project deed ik samen met een aantal collega’s onderzoek naar de taalkeuze van mensen in verschillende domeinen. Een van de grootste onderdelen binnen het project was een enquête. Daarin werd Nederlands als parapluterm gebruikt, die ook varianten van het Nederlands, zoals streektalen en dialecten, omvatte. Dat werd niet door iedereen gewaardeerd, met eerdergenoemde petitie als gevolg. Daar ging het er vooral om dat het negeren van het Limburgs om verschillende redenen slecht was, en geen afspiegeling van de taalrealiteit.

Eerder schreef ik al een opzetje voor een inhoudelijke reactie, maar een groot deel van mijn punten is al genoemd door Frans Hinskens. Ik zal de belangrijkste punten even kort samenvatten:

  • Het niet opnemen van het Limburgs (en andere erkende talen in Nederland, te weten het Nedersaksisch, het Jiddisj en het Sinti-Romanes, maar daar hoor je dan weer niemand over, laat staan over Vlaamse Gebarentaal) niet op te nemen was geen politieke maar een bewuste methodologische keuze van de onderzoekers, niet van de Taalunie.
  • Er waren verschillende redenen voor die keuze:
    • het project was heel klein, en daarom zouden er onvermijdelijk nuances verloren gaan. Omdat we vooral breed wilden onderzoeken qua domeinen, sneuvelde de diepte qua taalkundige nuance. Hoe graag ik ook de taalrealiteit zou beschrijven, dat kon simpelweg niet binnen dit kleinschalige project. Code-switching bijvoorbeeld, ook een belangrijk onderdeel van de taalrealiteit van veel mensen, kwam ook helemaal niet aan bod.
    • Er is zeker iets te zeggen vóór het opnemen van het Fries, en tegen het opnemen van het Limburgs en de andere talen. Er is namelijk een verschil in in officiële status tussen het Fries en de andere talen.
    • We wilden de data van de enquete vergelijken met andere bronnen. Vacatures bijvoorbeeld, en gepubliceerde boeken. Er is, voor zover wij konden beoordelen, geen structureel materiaal beschikbaar waarin ook naar gebruik van streektalen etc. wordt gekeken. Dat maakt een vergelijking lastig.
  • Het doel van het onderzoek was het in kaart brengen van het gebruik van het Nederlands ten opzichte van andere talen, die in de toekomst de status van het Nederlands mogelijk bedreigen. Streektalen bedreigen het Nederlands niet (voor zover ik weet). Het onderzoeken van het gebruik van het Nederlands ten opzichte van regionale talen, streektalen en dialecten is minstens zo interessant, maar is een enorm onderzoek op zich. Nogmaals: binnen ons beperkte kader meenden wij dat dit niet ook mogelijk was.
  • De enquête was ontzettend vol qua antwoordopties. We hebben bewust gekozen niet ook een optie voor ‘variant van het Nederlands’ toe te voegen. Ik zou dat inmiddels denk ik wel doen. Maar dat levert net zoveel problemen op als het oplost. Moet de enquête een generieke optie ‘dialect’ bevatten? Of ook ‘streektaal’, ‘regionale taal’, ‘minderheidstaal’? Of moeten die talen apart worden benoemd? Maar als je een optie ‘Limburgs’ geeft, krijgen we dan geen ruzie met mensen die zeggen dat ze een variant van het Limburgs spreken? Heerlens, of Kerkraads? En hoe zit het met het Nedersaksisch, dat weliswaar officiële status heeft,  maar dat, volgens Henk Bloemhoff (2008:297) nooit als label wordt gebruikt door gebruikers? Hoe analyseer je die resultaten? Ik zeg niet dat je niet moet proberen hier over na te denken, ik zeg alleen dat wij er bewust voor hebben gekozen om dit debat niet aan te gaan.
  • Minder inhoudelijk, maar wel relevant: in een vroeg stadium is er geëvalueerd met de aanstichtster van het verzet (ik deed dat in september 2016 al). Haar kritiek is opgenomen in het evaluatierapport. Desondanks werd er door de aanstichtster bij verschijnen van het rapport een petitie gestart.

Over al de inhoudelijke keuzes kun je denk ik discussiëren. Ik ben daar zeker toe bereid, en mijn mede-onderzoekers zeker ook. Maar dat is niet wat er gebeurde. In plaats daarvan waren er columns, radio- en tv-optredens en dus zelfs een petitie, waarin afstand werd genomen van het onderzoek. Zonder dat er een gezonde, laat staan constructieve discussie had plaatsgevonden. Bovendien werd de petitie ondertekend door een groot aantal (taal)wetenschappers: collega-promovendi die ik op conferenties spreek, collega’s van mijn eigen universiteit, en oud-docenten. Zij hebben misschien een genuanceerdere mening, maar door de petitie te ondertekenen verbonden ze zich aan de boodschap daarvan, en aan de vorm.

Met die twee dingen heb ik moeite: een petitie tegen onderzoek, en het feit dat collega’s die ondertekenen. Ik heb niet eerder gehoord van een petitie waarin ‘afstand wordt genomen’ van bepaald onderzoek. Zo’n petitie gaat in tegen mijn beeld van hoe wetenschap hoort te werken. Zoals ik ook in een reactie op een stuk op neerlandistiek.nl schreef: ik geloof in constructieve kritiek. Kritiek waardoor je een volgende keer iets beters kan maken. Kritiek die je bij de betrokken partijen neerlegt. Die kritiek is er geweest, en die is meegenomen, maar dat was blijkbaar niet genoeg. De manier waarop de zaak nu in de openbaarheid kwam vond ik teleurstellend en vooral contraproductief.

Wat zijn nu de gevolgen voor mij? Ik denk niet dat mijn carrière schade heeft opgelopen door deze ophef. Mijn naam staat wel op het rapport, maar de kritiek richt zich vooral op de opdrachtgever: de Taalunie. Niet dat ik bang ben mijn naam het onderzoek te verbinden: ik sta voor het grootste deel achter de methodologische keuzes, en ik ben ervan overtuigd dat dit nuttig onderzoek is, zowel maatschappelijk als taalkundig. Daar heeft deze ophef niets aan veranderd.

Wat wel een gevolg is, is dat een aantal taalwetenschappers in mijn achting is gedaald. Sommige ondertekenaars van de petitie ken ik, persoonlijk of van onderzoek. Ik had ze hoog zitten. Maar ik kan er echt niet inkomen dat je zo’n stap zet. Dat je een petitie ondertekent waarin je het werk van (directe) collega’s afkeurt. Het doet me een beetje denken aan wat er gebeurde toen het promotieonderzoek van Sterre Leufkens (mijn megacollega van Milfje) werd opgepikt door de media. De reacties op b.v. fok.nl waren volslagen idioot. Maar als onderzoek op een verkeerde manier wordt gebracht (door o.a. de Volkskrant toen), dan kun je het niet-wetenschappers tot op zekere hoogte niet kwalijk nemen dat ze op een bepaalde manier reageren. Maar mijn collega-taalwetenschappers, die neem ik het om eerlijk te zijn wél kwalijk. Ik had meer van ze verwacht. Dit is niet hoe je wetenschap bedrijft. Daarin moet, vind ik, de inhoud overheersen, en niet de onderbuik.

Zoals altijd sta ik open voor discussie, zowel inhoudelijk als procesmatig. Zolang die constructief is, en niet anoniem: voor anoniem schelden ga je maar naar een andere site. Ook ben ik benieuwd naar jullie mening. Is het acceptabel om een petitie te starten tegen collega-wetenschappers? Komt dit vaker voor? Hoe moet je omgaan met een dergelijke situatie? Ik ben benieuwd. Ik blijf ondertussen ook broeden op de kwestie. Ik hoop dat StaatNed nog een lang leven beschoren is.