Promoveren is precies wat ik wil doen

Vandaag is het jaarlijkse afdelingsuitje van de afdeling Nederlands van de Radboud Universiteit. Vorig jaar was het afdelingsuitje zo ongeveer mijn eerste kennismaking met de universiteit, en sowieso met de afdeling Nederlands. Maar ook met mijn nieuwe bestaan als promovendus. Het verstrijken van zo’n jaar vraagt om enige reflectie, zeker als je zo sentimenteel bent als ik. Is dit het nou? Is het gegaan zoals ik had verwacht? Ben ik tevreden? Het antwoord is een volmondig ja.

Ik wist al van ongeveer het tweede jaar bachelorstudie af dat ik wilde promoveren. Natuurlijk had ik er toen al een andere opleiding en een aantal jaar werken op zitten. Maar toch was het vroeg. Nu terugkijkend kan ik niet precies de vinger leggen op de oorsprong van mijn verlangen. Ik had best was goede vrienden in mijn omgeving die promoveerden, en ik denk dat het idee van doorleren me zelfs toen al aansprak. Daarnaast had ik wel oren naar een situatie waarin ik betaald kreeg om werk af te leveren, maar tegelijkertijd meer kon leren over allerlei interessante ideeën. Ik werkte in die tijd namelijk ongeveer drie dagen naast mijn voltijdstudie, en had dus eigenlijk voor alles net minder tijd dan ik wilde. Het idee van min of meer zorgeloos langere tijd te kunnen besteden aan échte verdieping sprak me enorm aan.

Maar hoge verwachtingen scheppen druk. Maakt het langgewenste de verwachtingen waar? Meestal niet, is mijn ervaring. Legio zijn de boeken die me niet bevallen, niet omdat ze per se echt heel slecht zijn, maar omdat de recensies té lovend waren. De golden boy van de Franse literatuur kan alleen maar tegenvallen, een film waar iedereen lyrisch over is kan me zelden bekoren. Zeldzamer dan tanden bij een kip is de ware ingeloste belofte. Toen ik dus in in mei 2016 het verlossende telefoontje kreeg dat ik in Nijmegen mocht gaan beginnen, was ik vanaf het begin af aan op mijn hoede. Ik was bang dat dit ding dat ik al jaren wilde een gevalletje bezit-van-de-zaak zou blijken.

Gelukkig is dat helemaal niet het geval gebleken. Nu, na zo’n 10 maanden, heb ik het gewoon ontzettend naar mijn zin. Ik vind het inderdaad heerlijk om langere tijd met een project bezig te kunnen zijn, zonder dat ik na drie maanden een paper moet afhebben en daarna iets anders moet gaan doen. Ik mag interessante boeken lezen, ik kan over die boeken praten met mensen die ze ook hebben gelezen. Ik heb veel dagen het gevoel dat ik meer weet en kan dan de dag ervoor. Dat is een onvoorstelbaar fijn gevoel.

Betekent dit alles dat ik iedere dag fluitend naar mijn werk ga? Zeker niet. Er zijn dagen dat ik geen zin heb. Er zijn klusjes die ik liever arm dan rijk ben. En er zijn momenten waarop ik twijfel, aan mijn onderzoek, aan mijn kwaliteiten, aan mijn toekomstperspectief. Maar die dagen zijn verre in de minderheid. Veelvuldiger zijn de dagen dat ik opsta en niet kan wachten om aan de slag te gaan.

Een belangrijk onderdeel daarvan (zie hier het bruggetje met het uitje) zijn collega’s. Niet alleen van mijn afdeling (die ik ook hogelijk waardeer), maar überhaupt mijn collega-taalwetenschappers, ook van andere plekken. Met vrijwel iedereen (een uitzondering helaas daargelaten) kan ik praten over gekke eigenschappen van het Nederlands in het bijzonder en taal in het algemeen. Ik kan ze warm maken voor rare onderzoeksprojecten, over politieke slogans of koloniaal taaladvies. Ik kan me identificeren als lid van een groep waar ik graag lid van ben.

Het feit dat er meer promovendi om me heen zijn die met precies dezelfde problemen en uitdagingen moeten omgaan als ik is ook fijn. Dat schept een band. Maar het is meer dan dat: het zijn bijna allemaal mensen die minstens net zo gretig, hongerig en ambitieus zijn als ik. Die interessante stukken schrijven, die symposia organiseren, die naar conferenties gaan. Dat werkt voor mij inspirerend. Als iemand anders een mooie publicatie heeft, denk ik: hodie tibi, cras mihi.

Kortom: ik ben precies waar ik wil zijn. Dat is ook weleens goed om uit te spreken, en goed om bij stil te staan. Er komt misschien een dag, dat mijn moed faalt. Een dag waarop ik mijn onderzoek en mijn collega’s verzaak. Maar vandaag is niet die dag. Vandaag ben ik gewoon blij met wat ik doe. Vandaag ben ik precies op mijn plek.

Hoe doe ik onderzoek (2) Data maken

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen(bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Eerder schreef ik over temporele afbakening, vandaag leg ik uit hoe ik data maak.

Sinds vorige week maandag heb ik een nieuwe kamergenoot, een Chinese psycholinguist. Zoals dat gaat legde ik uit wat ik aan het doen was. Vol trots wees ik op het getal op m’n whiteboard: nog maar 33 boeken hoefde ik in mijn database in te voeren! Eerst keek hij me niet-begrijpend aan, maar toen ik liet zien dat ik delen overtypte sloeg zijn onbegrip al snel in ontsteltenis. Ik typte boeken over?! Was ik achterlijk? Daar moest toch een AI-oplossing voor zijn? Helaas, zei ik, was het maar zo. Maar Google Translate dan? Nee, dat werkte ook niet. Maar een promovendus hoorde toch niet zulke handenarbeid te doen? Kon ik geen studentassistenten regelen? Dat zou ik wel willen, maar die mensen kosten geld en dat is er niet onbeperkt. Op een gegeven moment trad er een Babylonische verwarring op, maar ik vrees dat ik niet heb kunnen uitleggen dat overtypen voor mij een hele normale activiteit is.

Want inderdaad: een groot deel van mijn werkzaamheden bestaat al maanden uit het overtypen van boeken. De meeste boeken hoef ik gelukkig niet echt over te typen: ik hoef ze alleen te corrigeren. Want we hebben een techniek die Optimal Character Recognition heet (OCR voor vrienden). Met die techniek kun je van een foto een doorzoekbaar tekstbestand maken. Ik maak dus scans van pagina’s, die draai ik door Abbyy Finereader (schaamteloze reclame), en dan heb ik tekst. Dat maakt mijn leven héél veel makkelijker, maar niet perfect. OCR is namelijk verre van perfect: afhankelijk van de kwaliteit en de leeftijd van de bron moet ik meer of minder corrigeren. OCR kan namelijk niet omgaan met vlekjes, voegt spaties toe, en verandert sommige letters. Nu zou je daar misschien regels voor kunnen formuleren, om zo postcorrectie automatisch te doen. Iets wat bijvoorbeeld vaak fout gaat, is dat een ij een y wordt. Maar dat wordt vaak, daar zit ‘m de grap: die veranderingen vinden niet altijd plaats. Het hangt er vanaf hoe de staat van de bron is, en zelfs dan gaat het soms op voor mij verrassende momenten fout. Een handmatige check is dus onontkomelijk.

En naast de fouten van OCR zijn er nog aanpassingen die ik bewust wil doen aan mijn bronmateriaal. Mijn doel is om een doorzoekbare database te maken van taaladvies. In eerste instantie is die alleen voor mezelf, want op veel werken zit nog copyright. Van het Bridging the Unbridgeable-project uit Leiden weet ik hoeveel tijd er gaat zitten in het verkrijgen van toestemming om een deel van zo’n werk toch openbaar te maken, zelfs achter een wachtwoord. Hoe graag ik dus ook mijn data wil delen, dat mag in ieder geval deels niet. Hoe dan ook, ík moet wel door de database kunnen zoeken. Dat wil ik deels automatisch kunnen doen, door (simpel voorbeeld) een woord in te typen en dan alle gevallen terug te krijgen van dat woord. Dan is het wel handig als ik sommige dingen in de tekst oplos. Spatiëring bijvoorbeeld: dat is o n h a n d i g als je een zoekopdracht formuleert. Maar ook woordafbreking en afkortingen los ik op. Zo krijg je dus geen natuurgetrouwe database van het taaladvies, maar wel een waar ik het optimaal mee kan werken. Dat is hier het belangrijkst.

Het is de realiteit voor de historisch taalkundige, dat helaas niet alle bronnen die je zou willen doorzoeken digitaal beschikbaar zijn. Je moet dat voor een deel zelf invoeren. En uiteindelijk: is het erg, om zo veel van mijn bronmateriaal door te moeten lezen? Ik denk het niet. Ik leer het spul heel intiem kennen. Dat is ook zeker wat waard, zeker in een tijd waarin we door het gemak van digitale tools soms ver van de rauwe data blijven. Ik ga in de toekomst ook zeker technieken gebruiken waarmee ik meer afstand neem van mijn materiaal, maar ik heb dat materiaal nu wel heel goed in de vingers. Dat stelt me later in staat (hopelijk) de juiste vragen te stellen aan de techniek. Voor nu type ik onverstoord verder. Toen ik dit stukje begon moest ik er nog 33, nu nog 30. Leve de voortgang der wetenschap!

Hoe doe ik onderzoek (1) Temporele afbakening

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen (bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Vandaag direct een belangrijke kwestie: temporele afbakening.

In de grond is mijn onderzoek een comparatieve studie. Op het meest elementaire niveau komt mijn werk op het volgende neer: ik neem twee collecties data. Die vergelijk ik, en ik probeer relaties tussen ze te identificeren. Vervolgens probeer ik die relaties of het gebrek daaraan te verklaren. Dat klinkt heel simpel, en op dit niveau is het dat ook. Maar als je inzoomt zijn er natuurlijk allerhande moeilijkheden en methodologische kwesties. De eerste kwestie die ik moest oplossen, maar waar ik blijvend mee bezig ben, is afbakening.

In fase 1 bestudeer ik de ontwikkeling van taaladvies in de 20e eeuw. Kijk, daar heb je al meteen minstens twee afbakeningsproblemen. Ten eerste is er het punt van de 20e eeuw. Een temporele afbakening is een lastig iets: wat is logisch? In mijn onderzoeksvoorstel staat dat ik onderzoek doe naar de periode 1805 tot nu. Dat is om meerdere redenen een logisch punt. Ten eerste situeert Daniel Baggioni (geciteerd in Burke 2004:10) een van zijn ‘ecolinguistic revolutions’ (grote omwentelingen in de taal in Europa) in 1800 (de andere twee zijn in 1500 en 2000). Het is natuurlijk ook historisch een belangrijk moment, zo na de Franse Revolutie. Meer specifiek kwamen in 1804 en 1805 de officiële spelling van Siegenbeek en de officiële grammatica van Weiland uit. Een officiële spelling zou niet zo bijzonder blijken, daarvan zijn er inmiddels nog wel een paar verschenen. Maar een officiële grammatica, daarvan is de Nederduitsche Spraakkunst van Petrus Weiland de laatste.

Het feit dat de grammatica van Weiland officieel door de Nederlandse staat erkend is, geeft ook theoretisch een mooi ijkpunt. Het past namelijk mooi in het theoretisch model over taalstandardisatie van Milroy en Milroy (2012:22-23). Hierin is ‘codificatie’ het een-na-laatste stadium, waarna het laatste stadium, prescriptivisme, volgt. Simpel gezegd is codificatie het moment waarop de regels van een taal expliciet worden vastgelegd, en is prescriptivisme het stadium waarin de ‘officiële’ normen vervolgens worden herhaald en gehandhaaft. Je zou kunnen beargumenteren dat dit laatste stadium aanbrak met de publicatie van Weiland’s grammatica. Dat was immers het moment van codificatie. Let wel: dit betekent niet dat de standaardtaal toen ook door iedereen (of zelfs door een minderheid van mensen) werd gebruikt, maar wel dat er een vastgelegde norm was met een bepaalde officiële status. Overigens: hoe de norm van Weiland en Siegenbeek zich verspreidde is een fascinerende vraag, waar gelukkig in het Leidse Going Dutch-project onderzoek naar wordt gedaan.

1805 leek dus een mooi moment om te beginnen. Helaas bleek dat toch om twee redenen geen haalbaar idee. De eerste reden was de omvang van het onderzoek. Ik ben nu een maand of 10 bezig met het in kaart brengen van taaladvies, maar ik ben nog nauwelijks begonnen met de 19e eeuw. Als ik daar nu nog mee aan de slag zou gaan, dan ben ik een onevenredig deel van mijn promotietraject kwijt aan het in kaart brengen van taaladvies. Maar ik wil niet alleen beschrijven: ik wil verder! Ik wil verklaren, ik wil begrijpen. Het is een vervelende keuze, maar een waar ik niet aan ontkom: ik moet verder.

De tweede reden is dat de aard van taaladvies anders lijkt te zijn in de 19e en de 20e eeuw. In de 19e eeuw (en eerder) verschenen er vooral normatieve grammatica’s: die bevatten beschrijvingen van het Nederlands als systeem, met her en der een uitspraak over wat goed en fout is. Vanaf het begin van de 20e eeuw echter (een 19e eeuwse uitzondering zoals Siegenbeek 1847 daargelaten) begon er een ander type taaladvies te verschijnen. Daarin werd veel meer gefocust op juist die specifieke stukjes taal waar men ongewenste variatie tegenkwam. De vorm veranderde. Ik wil me op die traditie richten. Ik weet dat die voortkomt uit eerder werk, maar nogmaals: ik kan niet alles doen. De taaladviestraditie in de 20e eeuw is nauwelijks als zodanig bestudeerd. Daar ligt dus nog interessant materiaal voor mij.

Er is dus wel iets te zeggen voor de keuze om het begin van mijn project in 1900 te leggen. Inmiddels heb ik in overleg met mijn promotors dan ook besloten me hier op te richten. Na één luttel jaar heb ik dus al een hele eeuw van mijn onderzoeksobject geschaafd. Ik denk dat het een goede keuze is, maar het lijkt wel radicaal. En je kunt er, denk ik, zeker kritiek op hebben. Dat kun je denk ik altijd hebben op methodologische keuzes. Ik denk echter dat ik me de keuze kan verdedigen. Uiteindelijk leidt dit me naar een beter proefschrift en beter afgebakend onderzoek. En dat is tenslotte het doel.

Opvallend taaladvies (3): onbekende woorden

In deze fase van mijn onderzoek lees ik de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Om vandaag na de vakantie weer rustig in het schrijfritme te komen een luchtig en kort stukje over onbekende woorden.

Een tijdje terug bracht ik voor het eerst wat langere tijd door met mijn geweldige achternichtje. Ze is zes jaar oud, en heeft net leren lezen. En nu wil ze dan ook echt alles lezen wat los en vast zit. Zo hebben we samen station Heerenveen gelezen. Ik bedoel dan niet een bordje waar dat opstaat. Nee, we hebben álle aanplakbiljetten, reclames, verordeningen etc. gelezen. Heerlijk, en herkenbaar: zo was ik ook. Zo ben ik eigenlijk nog steeds. Al zo lang ik me kan herinneren lees ik alles wat me voor handen komt. Mede als gevolg daarvan (vermoed ik) heb ik een behoorlijke woordenschat. Tenminste, dat denk ik van mezelf. En toch kom in de taaladviesgidsen (en andere werken) die ik nu lees nog weleens woorden tegen waar ik nog nooit van gehoord. Woorden die ik voor zover ik weet zelfs nog nooit ben tegengekomen. Hier een paar mooie vondsten:

  • “Kaapt dus Jufvrouw Galliette, zoo als, meen ik, de groote Hoogduitsche Dichter Klopstoch ergens, al boertende, het Fransch noemt (Lulofs 1826:8)
  • Blaamsmet, dat bij een’ anders keurig Schrijver voorkomt, is, als eene overtolligheid behelzende, naar mijn oordeel, af te keuren. (Siegenbeek 1847:16)
  • “Mede opvallend is, in de jongenstaal vooral, het gebruik van ‘bocht’ als bijv. nmw., tengevolge waarvan een blasé gymnasiast bijvoorbeeld zal spreken van ‘bochte keeten’ = leelijke meisjes, waarop alleen ‘mallote’ jongens verliefd kunnen worden” (Van Wely 1906:101)
  • lias – brievensnoer” (ANV 1917:180)
  • “Die studeertafelacribie heeft, dacht ik, de beoefening van het vak ‘taakvelverzorging’ bepaald geen goed gedaan” (Kolkhuis Tanke 1975:3)

Is dat niet heerlijk? Het zijn allemaal woorden die niet of nauwelijks meer worden gebruikt: een snelle zoektocht door het online Volkskrantarchief laat zien dat het woord acribie bijvoorbeeld sinds 1995 slechts 14 keer werd gebruikt in die krant. Misschien is het toe aan een revival. Om van bochte keeten nog maar te zwijgen: de volgende keer dat ík ruzie heb op straat weet ik al wel wat ik ga roepen. Dat zal ze leren!

Gedachten over een petitie tegen mijn onderzoek

Je leest het goed. Er is een petitie tegen mijn onderzoek. Niet tegen mijn huidige onderzoek naar taaladvies (hoewel het niet ondenkbaar is dat die er ooit komt), maar naar onderzoek dat ik deed in het kader van het vorige project waaraan ik werkte. Staat van het Nederlands (StaatNed voor vrienden) was dat. In dat project deed ik samen met een aantal collega’s onderzoek naar de taalkeuze van mensen in verschillende domeinen. Een van de grootste onderdelen binnen het project was een enquête. Daarin werd Nederlands als parapluterm gebruikt, die ook varianten van het Nederlands, zoals streektalen en dialecten, omvatte. Dat werd niet door iedereen gewaardeerd, met eerdergenoemde petitie als gevolg. Daar ging het er vooral om dat het negeren van het Limburgs om verschillende redenen slecht was, en geen afspiegeling van de taalrealiteit.

Eerder schreef ik al een opzetje voor een inhoudelijke reactie, maar een groot deel van mijn punten is al genoemd door Frans Hinskens. Ik zal de belangrijkste punten even kort samenvatten:

  • Het niet opnemen van het Limburgs (en andere erkende talen in Nederland, te weten het Nedersaksisch, het Jiddisj en het Sinti-Romanes, maar daar hoor je dan weer niemand over, laat staan over Vlaamse Gebarentaal) niet op te nemen was geen politieke maar een bewuste methodologische keuze van de onderzoekers, niet van de Taalunie.
  • Er waren verschillende redenen voor die keuze:
    • het project was heel klein, en daarom zouden er onvermijdelijk nuances verloren gaan. Omdat we vooral breed wilden onderzoeken qua domeinen, sneuvelde de diepte qua taalkundige nuance. Hoe graag ik ook de taalrealiteit zou beschrijven, dat kon simpelweg niet binnen dit kleinschalige project. Code-switching bijvoorbeeld, ook een belangrijk onderdeel van de taalrealiteit van veel mensen, kwam ook helemaal niet aan bod.
    • Er is zeker iets te zeggen vóór het opnemen van het Fries, en tegen het opnemen van het Limburgs en de andere talen. Er is namelijk een verschil in in officiële status tussen het Fries en de andere talen.
    • We wilden de data van de enquete vergelijken met andere bronnen. Vacatures bijvoorbeeld, en gepubliceerde boeken. Er is, voor zover wij konden beoordelen, geen structureel materiaal beschikbaar waarin ook naar gebruik van streektalen etc. wordt gekeken. Dat maakt een vergelijking lastig.
  • Het doel van het onderzoek was het in kaart brengen van het gebruik van het Nederlands ten opzichte van andere talen, die in de toekomst de status van het Nederlands mogelijk bedreigen. Streektalen bedreigen het Nederlands niet (voor zover ik weet). Het onderzoeken van het gebruik van het Nederlands ten opzichte van regionale talen, streektalen en dialecten is minstens zo interessant, maar is een enorm onderzoek op zich. Nogmaals: binnen ons beperkte kader meenden wij dat dit niet ook mogelijk was.
  • De enquête was ontzettend vol qua antwoordopties. We hebben bewust gekozen niet ook een optie voor ‘variant van het Nederlands’ toe te voegen. Ik zou dat inmiddels denk ik wel doen. Maar dat levert net zoveel problemen op als het oplost. Moet de enquête een generieke optie ‘dialect’ bevatten? Of ook ‘streektaal’, ‘regionale taal’, ‘minderheidstaal’? Of moeten die talen apart worden benoemd? Maar als je een optie ‘Limburgs’ geeft, krijgen we dan geen ruzie met mensen die zeggen dat ze een variant van het Limburgs spreken? Heerlens, of Kerkraads? En hoe zit het met het Nedersaksisch, dat weliswaar officiële status heeft,  maar dat, volgens Henk Bloemhoff (2008:297) nooit als label wordt gebruikt door gebruikers? Hoe analyseer je die resultaten? Ik zeg niet dat je niet moet proberen hier over na te denken, ik zeg alleen dat wij er bewust voor hebben gekozen om dit debat niet aan te gaan.
  • Minder inhoudelijk, maar wel relevant: in een vroeg stadium is er geëvalueerd met de aanstichtster van het verzet (ik deed dat in september 2016 al). Haar kritiek is opgenomen in het evaluatierapport. Desondanks werd er door de aanstichtster bij verschijnen van het rapport een petitie gestart.

Over al de inhoudelijke keuzes kun je denk ik discussiëren. Ik ben daar zeker toe bereid, en mijn mede-onderzoekers zeker ook. Maar dat is niet wat er gebeurde. In plaats daarvan waren er columns, radio- en tv-optredens en dus zelfs een petitie, waarin afstand werd genomen van het onderzoek. Zonder dat er een gezonde, laat staan constructieve discussie had plaatsgevonden. Bovendien werd de petitie ondertekend door een groot aantal (taal)wetenschappers: collega-promovendi die ik op conferenties spreek, collega’s van mijn eigen universiteit, en oud-docenten. Zij hebben misschien een genuanceerdere mening, maar door de petitie te ondertekenen verbonden ze zich aan de boodschap daarvan, en aan de vorm.

Met die twee dingen heb ik moeite: een petitie tegen onderzoek, en het feit dat collega’s die ondertekenen. Ik heb niet eerder gehoord van een petitie waarin ‘afstand wordt genomen’ van bepaald onderzoek. Zo’n petitie gaat in tegen mijn beeld van hoe wetenschap hoort te werken. Zoals ik ook in een reactie op een stuk op neerlandistiek.nl schreef: ik geloof in constructieve kritiek. Kritiek waardoor je een volgende keer iets beters kan maken. Kritiek die je bij de betrokken partijen neerlegt. Die kritiek is er geweest, en die is meegenomen, maar dat was blijkbaar niet genoeg. De manier waarop de zaak nu in de openbaarheid kwam vond ik teleurstellend en vooral contraproductief.

Wat zijn nu de gevolgen voor mij? Ik denk niet dat mijn carrière schade heeft opgelopen door deze ophef. Mijn naam staat wel op het rapport, maar de kritiek richt zich vooral op de opdrachtgever: de Taalunie. Niet dat ik bang ben mijn naam het onderzoek te verbinden: ik sta voor het grootste deel achter de methodologische keuzes, en ik ben ervan overtuigd dat dit nuttig onderzoek is, zowel maatschappelijk als taalkundig. Daar heeft deze ophef niets aan veranderd.

Wat wel een gevolg is, is dat een aantal taalwetenschappers in mijn achting is gedaald. Sommige ondertekenaars van de petitie ken ik, persoonlijk of van onderzoek. Ik had ze hoog zitten. Maar ik kan er echt niet inkomen dat je zo’n stap zet. Dat je een petitie ondertekent waarin je het werk van (directe) collega’s afkeurt. Het doet me een beetje denken aan wat er gebeurde toen het promotieonderzoek van Sterre Leufkens (mijn megacollega van Milfje) werd opgepikt door de media. De reacties op b.v. fok.nl waren volslagen idioot. Maar als onderzoek op een verkeerde manier wordt gebracht (door o.a. de Volkskrant toen), dan kun je het niet-wetenschappers tot op zekere hoogte niet kwalijk nemen dat ze op een bepaalde manier reageren. Maar mijn collega-taalwetenschappers, die neem ik het om eerlijk te zijn wél kwalijk. Ik had meer van ze verwacht. Dit is niet hoe je wetenschap bedrijft. Daarin moet, vind ik, de inhoud overheersen, en niet de onderbuik.

Zoals altijd sta ik open voor discussie, zowel inhoudelijk als procesmatig. Zolang die constructief is, en niet anoniem: voor anoniem schelden ga je maar naar een andere site. Ook ben ik benieuwd naar jullie mening. Is het acceptabel om een petitie te starten tegen collega-wetenschappers? Komt dit vaker voor? Hoe moet je omgaan met een dergelijke situatie? Ik ben benieuwd. Ik blijf ondertussen ook broeden op de kwestie. Ik hoop dat StaatNed nog een lang leven beschoren is.

Opvallend taaladvies (2): kunstkritiek bij Trouw

In deze fase van mijn onderzoek lees ik de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag iets over kunstkritiek in het Trouw Schrijfboek.

Zoals ik eerder al schreef, heb je veroordelingen in alle soorten en maten. Iedere schrijver schrijft zoals z/hij gebekt is. Maar heel soms wordt er ook inhoudelijke kritiek geleverd. Neem het onderstaandee lemma uit het Trouw Schrijfboek (De Berg 1999):

acid house (m) soort ‘muziek’; acid-houseparty (v/m)

Muziek staat hier tussen aanhalingstekens. Dat suggereert dat het hier niet om echte muziek gaat. Dat is pertinent onwaar: acid house is wel degelijk muziek. Het is de naam voor een subgenre van house, dat ontstond in jaren ’80. Hier kun je naar wat voorbeelden luisteren. Dit is een beetje flauw: ik weet heus wel wat die aanhalingstekens betekenen. Ze betekenen dat volgens de mening van de schrijver acid house geen muziek is. Hier is dus sprake van een waardeoordeel over kunst, niet over taal.

Het deed me denken aan een voorbeeld dat werd aangehaald door Ariane van Santen in haar eerdergenoemde vak Norm&Taal (dank aan Ronny voor het hernieuwen van het contact). Zij vertelde dat in de 9e druk van Van Dale (1970) de volgende beschrijving stond bij het lemma volleybal:

door twee ploegen van zes spelers, gespeeld balspel waarmee zelfs grote mensen zich wel vermaken, bestaande in het heen en weer slaan van een bal over een net

Ook hier wordt een impliciet waardeoordeel gegeven over volleybal. Overigens: hoewel het een berucht voorbeeld schijnt te zijn, is onduidelijk of het ook al in de 8e druk stond, en of dat het een nieuw voorbeeld is in de 9e druk. Hoe dan ook schijnt het een afspiegeling te zijn van de mening van de toenmalig hoofdredacteur van Van Dale, Cornelis Kruyskamp.

Het is overigens wel interessant, dat schrijven van ‘muziek’ tussen aanhalingstekens. Nogmaals: dat het muziek is, daar kun je in dit geval descriptief volgens mij niet over twisten, zolang je uitgaat van een zo neutraal mogelijke beschrijving (‘muziek is georganiseerd geluid’ vind ik altijd een goede beschrijving, waarvoor de credits naar de geweldige Edgard Varèse gaan). Maar muziek is hier geen neutrale term, net zoals kunst dat vaak niet is. Het is zelf al normatief: muziek (kunst) is dat wat ik mooi vind. Wat ik niet mooi vind, is geen muziek.

Misschien komt het omdat ik wetenschapper ben, maar ik vind dit een onprettig gebruik. Dat je iets mooi of lelijk vindt, dat is je goed recht. Maar ontken niet dat het binnen een bepaalde term valt. Ik kom iets vergelijkbaars vaak tegen bij beschrijvingen over taal. Dan wordt gezegd “dit bestaat niet” of “dit is geen taal”. Dat kan niet: taal is alles wat iedereen schrijft en spreekt. Dat je het niet mooi vindt, niet goed, niet behorend tot de standaardtaal of wat dan ook, dat is een andere zaak. Maar daarover later een keer meer.

Iedereen maakt spelfouten, ook taaladviseurs

In het tweede jaar van mijn opleiding aan de Universiteit Leiden volgde ik het vak Norm & Taal. Het werd gegeven door drie docenten, die het beste van de opleiding Nederlands in Leiden vertegenwoordigen: Cor van Bree, Ronny Boogaart en Ariane van Santen. Dit inspirerende vak speelde een grote rol in mijn ontluikende interesse in taalnormen. Een belangrijk moment kwam vroeg in de collegereeks, toen Ariane van Santen twee emails op het bord projecteerde. Emails van haarzelf. Met spelfouten erin.

De les was duidelijk: iedereen maakt weleens een spelfout. Zelfs een hoogleraar Nederlands. Een ander bekend voorbeeld van een spelfout door een hoogleraar, dat ik al eerder heb aangehaald, is deze bekentenis van Jan Renkema, hoogleraar Tekstkwaliteit (Universiteit Tilburg):

De volgende bekentenis dient ter vertroosting van taalgebruikers die zoveel moeite hebben met de spelling. Ik doe deze bekentenis alleen in dit voorwoord dat toch door bijna niemand word gelezen. In de vorige editie stond ergens word waar wordt had moeten staan, zoals in de zin hiervoor! In de pauze van een college over al onze spellinghervormingen kwam een verlegen studente mij dat vertellen.

Dat werkt zeker verzachtend. Als Jan Renkema in een taaladviesgids al een fout maakt, dan kan het iedereen overkomen, zou je zeggen. Goed, daar zou je het bij kunnen laten. Maar ik denk dat het belangrijk is om te laten zien dat dit geen incidenten zijn. Zoals ik al eerder schreef, lees ik op dit moment de ene taaladviesgids na de andere. En in veel van die gidsen kom ik spelfouten tegen. Die wil ik in mijn blog onder de aandacht brengen. Ik doe dat niet om iemand aan de schandpaal te nagelen. Ik doe dat ook niet met het doel om mensen lekker te laten lachen. Ik doe dat om te laten zien hoe normaal het is om een foutje te maken, zelfs in boeken die expliciet bedoeld zijn om dit soort fouten tegen te houden. Ja, het is misschien slordig, zeker in een gepubliceerd boek. Maar het kan de beste overkomen, zelfs als je je werk keer op keer laat nalezen. Het overkomt mij ook geregeld.

Ik wil ook laten zien dat het maken van spelfouten niet iets is van de laatste jaren. Het zou kunnen dat er tegenwoordig meer dan vroeger spelfouten worden gemaakt in gedrukte literatuur, maar niemand weet dat zeker. Er is namelijk geen onderzoek naar gedaan. Het ‘je hoort het steeds vaker’-syndroom is hardnekkig, en deels onvermijdelijk. We lezen nou eenmaal veel meer recente kranten dan oude kranten. Maar wie eens een oude krant openslaat, die zal ook daarin best spelfouten tegenkomen.

Daarom hier alvast een paar spelfouten uit de taaladviesgidsen. Je kunt het flauw noemen, maar ik geloof dat er een wereld te winnen is. Iedereen maakt fouten. Zelfs taaladviseurs. Opvallend is trouwens wel dat de spelfouten hieronder allemaal op het oog slordigheden betreffen, waar de fout van Renkema een grammaticaal foutje is (overigens een goed verklaarbaar grammaticaal foutje).

“Aanrichten, veroorzaken, teweegbrengen in ongun-tigen zin: schade, ver-woesting” (Charivarius 1940:35)
“Zowel jij al hij kunt of kan” (Meijers 1965:147)
“Een vraag die ter zake van ‘dan’ nogal eens wordt gesteld: mag je schrijven ‘gecompiceerder als’ of móet het zijn ‘gecompliceer-der dan’?” (Kolkhuis Tanke, 1984:90)
“De oppositie heeft eigenlijk geen kans op succs. Het gaat immers goed met de eco-nomie.” (Ansems 1988:66)
“Dat wil zegggen: te helpen zorgen dat wat zij zeggen of schrijven naar vorm en betekenis optimaal overeenstemt met wat zij bedoelen” (Nieuwenhuijsen 1990:7)
“gaan Werk dit werwkoord weg uit zinnen als: Het bedrijf is van plan meer te gaan produceren. De rederij wil de Mercury dit najaar gaan inzetten in het Carïbisch gebied (De Berg 1999:252)
“Zinnen waarin twee voegwoorden naast ellkaar staan, zijn geen toonbeeld van helderheid.”(De Berg 1999:166)
“Een firewall of een viruscanner is allang geen luxe meer.” (Tiggeler 2006:81)

Taalverandering op de basisschool

Deze ochtend was ik op basisschool ‘De Wegwijzer’ in Elst, om in het kader van Onderzoeker in de Klas te vertellen over mijn onderzoek. Het was een geweldige ervaring. De kinderen deden actief mee, waren geïnteresseerd, en stelden briljante vragen. Zo hebben we een discussie gevoerd over grammaticalisatie: waarom worden sommige woorden korter, en hoe komt dat? En hoe ziet het Nederlands er over 100 jaar uit? Wat was de oudste taal die ik had bestudeerd?

In mijn presentatie legde ik eerst uit dat het Nederlands behoorlijk is veranderd de afgelopen 1500 jaar. Ik liet wat voorbeelden van teksten zien, en we luisterden naar de legendarische Han Hollander, om te zien of uitspraak ook was veranderd de afgelopen 100 jaar. Vervolgens legde ik uit hoe lexicale diffusie werkt, vanuit netwerktheorie. Die woorden gebruikte ik natuurlijk niet: ik liet een poppetje zien dat een nieuw woord bedacht, knufti. Een jongetje zei meteen: “O, dat is een hele koude knuffel.” Heerlijk. We keken hoe dit nieuwe woord zich van groep tot groep kon verspreiden, en we praatten over de verschillende netwerken waar kinderen deel van uitmaakten: atlethiek, hoornles, vriendjes in de straat.

IMG_3454
Zóó doet men onderzoek naar taal. Met een gróót gebaar!

Vervolgens gingen we naar het hart van de zaak: wat gebeurt er nou als iemand zo’n woord, of een bepaalde grammaticale constructie, afkeurt? Hoe verspreid die afkeuring zich? Ik vertelde dat hier weinig over bekend was, en dat ik hier onderzoek naar deed. Ik liet wat taaladviesboekjes zien, en we lachten samen over Haje’s voorgestelde alternatief noenzaal voor lunchroom. Vervolgens praatte ik over mijn hypotheses, dat het succes of falen van taaladvies mogelijk van veel dingen afhangt. Samen met de kinderen lette we op hoe we ademden, om dat vervolgens weer aan ons onderbewustzijn over te laten. Ook discussieerden we over de vraag, wat er zou gebeuren als ik een van hen in het zwembad zou gooien. “Ik zou zwemmen, maar niet in het meer, want dat is te koud”, antwoordde een jongetje. En we bedachten, of we iets zomaar konden koken, als we het maar één keer eerder hadden gemaakt. Zwemmen kan je, omdat je het vaak hebt gedaan, koken niet, omdat je het niet vaak had gedaan. Op deze manier liet ik zien hoe frequentie en bewustzijn een rol kunnen spelen bij taaladvies.

Nadat ik had uitgelegd hoe je corpusonderzoek doet, keken we ten slotte naar de verschillen tussen twee versies van Roodkapje (uit het onvolprezen corpus). Ik gaf groepjes twee alineas, en een aantal regels. Zo kwamen ze er achter dat sommige regels waren toegepast (oo -> o bijvoorbeeld in de spelling), maar dat er ook regels waren die níet waren toegepast. En dat er veranderingen hadden plaatsgevonden die niet in de regels stonden. Heel diep gingen we er niet op in: de kinderen wilden vooral weten of ik weleens een geslaagde taalverandering had veroorzaakt, en wat nou dat woord knufti allemaal kon betekenen.

IMG_3477
Samen onderzoeken wat er is veranderd in Roodkapje.

Sinds ik ben begonnen met mijn promotie heb ik niet zó’n inspirerende anderhalf uur gewerkt. De kinderen zogen alles op en stelden fantastische vragen. Ik vind het geweldig dat het Wetenschapsknooppunt dit soort voorlichting mogelijk maakt. Niet alleen voor mij, maar ook voor de kinderen. Die krijgen te zien hoe een wetenschapper eruitziet. Dat is dus niet altijd iemand met een witte jas die proefjes doet (dat beeld leeft heel sterk blijkbaar). Ook krijgen ze een kijkje in de keuken van onderzoek. Ik hoop dat het allemaal taalwetenschappers worden. De interesse hebben ze in ieder geval al.

Enorme dank dus aan Siebe, Jan en Sanne van het Wetenschapsknooppunt, en aan Gonneke van De Wegwijzer: ik vond het geweldig. Aan al mijn collega’s: ga dit ook doen. Goed voor de maatschappij, goed voor de popularisering van je onderzoek, goed voor jou. Iedereen wint. Voor wie geïnteresseerd is, hier is mijn presentatie.

O ja, en ik  heb ook nog met een fidget spinner gespeeld. Dat was misschien wel het hoogtepunt.

IMG_3487

N.B. Voor zover ik weet hebben alle leerlingen toestemming gegeven voor het gebruik van hun foto. Mocht iemand hier bezwaar tegen hebben, laat het me dan weten, dan verwijder ik de foto.

Nu ook op Twitter!

Liever was ik echt hip en vooruitstrevend geweest, maar omdat het moeilijk is om te Snapchatten of te Instagrammen over geschreven taal, spring ik maar gewoon even op het zinkende schip dat Twitter heet. Vanaf nu als @MartenvdMeulen op dat medium te bereiken. Tot daar!

Opvallend taaladvies (1): de beeldspraak van Haje

In deze fase van mijn onderzoek lees ik de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag iets over de gruwelijke beeldspraak van Haje.

Het woord taaladvies zegt het al: de bedoeling is om lezers advies te geven over welke taal ze wel en vooral niet dienen te gebruiken. Advies bevat altijd een afkeuring van een bepaalde vorm. Die afkeuring kan impliciet of expliciet zijn. Behoorlijk expliciet is de afkeuring in de adviezen van dr. Ch. F. Haje in zijn vroege taaladviesgids Taalschut (1932). Dat levert een schat aan afkeurende labels op. Zo kwam ik onder andere tegen:

  • onuitstaanbaar,
  • verknoeiing
  • een zwaar vergrijp tegen de taal
  • bedorven
  • Een der nieuwste baldadigheden van de taalontwrichters
  • afschuwelijk

En vele andere. Maar de mooiste veroordelingen zijn nog wel wat extremer. Lees mee en huiver:

“Rauwkost > rauwe kost is een nieuwe weerzinwekkende koppeling uit de medische martelkamer van het Nederlandsch.”

“Beduidend > Nederlands aanzienlijk, belangrijk, van beteekenis, merkelijk, aanmerkelijk, is een diep doorgedrongen germanisme. Beets en Van Lennep hadden het reeds met beduidend aan den stok. Het werkwoord beduiden, waarvan beduidend het deelwoord is, levert alléénstaande geen begrip op. Zonder een bepaling: veel, weinig, niets, geen zier, of zonder de ontkenning on – is het met beduidend mis.
Dit bejaarde germanisme beduidend werd onlangs verblijd met de geboorte van een dochter beduiding. De taal is er geenszins mee verblijd en hoopt bij het wicht op een doodsstuip.”