De beste Engelse mop die ik ken

Ik ga straks lekker op vakantie, dus post hier even een licht tussendoortje. Mijn onovertroffen kamergenoot Paul Hulsenboom was laatst een oud blijspel aan het lezen (de titel is me even ontschoten). We kwamen te spreken over humor, en over of dat vroeger anders was, en of oude grappen nog werkten. Het deed mij denken aan de Allerbeste Grap uit de Engelse Geschiedenis (en Misschien wel de Hele Wereldgeschiedenis). Aldus:

A married Gentleman coming through Canterbury, his Horse threw him, which a young Gentlewoman seeing, fell a laughing; the Man being terribly vext that she should laugh at his fall, angerly said, Madam, pray admire not at this, for my Horse always stumbles when he meets a Whore; she sharply reply’d, have a care then Sir, you do not meet your Wife, for then you will certainly break your neck.

(HC, Penny Merriments, ‘Canterbury Tales’, 1687: B1v.–B2r.)

Wow, en dat in de 17e eeuw! Dat is een comeback waar je in 8 Mile nog een ‘o damn dog’ of ‘o snap son’ voor had gekregen. Wat de grap ook grappig maakt: hij is te vinden op pagina 6 van An Introduction to Early Modern English (Nevalainen 2006). De grap staat in het boek als voorbeeld van laat-17e eeuwse grammatica. Ik vind dat geweldig. Van alle voorbeelden die je kan kiezen als schrijfster, kies je een oude mop. Heerlijk. Wat het nog leuker maakt is dat de schrijfster, de Finse Terttu Nevalainen, er niet per se uitziet alsof ze van een goede harde mop houdt. Ze ziet er namelijk intens beschaafd uit. Overigens is ze een levende legende op het gebied van de historische sociolinguïstiek.

Wat maakt deze grap nog meer geweldig? Emancipatie! De vrouw wint duidelijk deze uitwisseling. Ik heb geen idee of dat exemplarisch was voor grappen in de 17e eeuw, maar afgaande op het aantal dommeblondjesmoppen dat over vrouwen gaat is het nu niet per se de norm.

Enfin, dit ter verstrooiing. Ik spreek jullie na mijn vakantie.

‘De verreweg grootste’ of ‘Verreweg de grootste’?

Ik lees graag online-artikelen over voetbal. Niet alleen omdat ik geïnteresseerd ben in de inhoud van die artikelen, maar ook omdat je nog weleens een leuk taalfenomeen tegenkomt. Ik schreef elders bijvoorbeeld over het woord rabona, en over de verschillende typen hattrick die bestaan. Nu echter was er een grammaticaal fenomeen dat mijn aandacht trok. In dit artikel kwam ik namelijk de volgende zin tegen:

“De verreweg spannendste titelrace uit Europa verdient eigenlijk twee kampioenen.”

Het gaat me hier om het gebruik van het woord verreweg. In bovenstaande zin wordt dat gebruikt als graadaanduidend bijwoord, dat spannendste bijstelt. Ik kende het echter alleen op een iets andere manier, namelijk zo:

“Verreweg de spannendste titelrace uit Europa verdient eigenlijk twee kampioenen.”

Voorkomen

Enfin, één voorkomen van variatie maakt nog geen zomer. Gelukkig ben ik momenteel veel door de corpora van het Nederlands aan het struinen, en kan ik kijken hoeveel de beide volgordes daarin voorkomen. Dat leverde de volgende resultaten op:

(1) verreweg de (2) de verreweg
Corpus Gesproken Nederlands 13 0
Corpus Hedendaags Nederlands 1695 15
Sonar 743 4
Nederlab 20.374 93
Corpus of the Web 12.804 116

Het moge duidelijk zijn: optie 1 is de verreweg meestvoorkomende. De andere volgorde is bepaald marginaal te noemen: zelfs in de grootste corpora (in Nederlab staan ongeveer 10 miljard woorden) komt hij nauwelijks voor. Een interessant gegeven is nu nog de tijdlijn. Is volgorde 2 een nieuw fenomeen? Niet per se. Onderstaande grafiek laat het aantal hits zien in drie verzamelingen in Nederlab. Duidelijk te zien is dat volgorde 2 weinig voorkomt, maar dat het wél al lange tijd voorkomt. Ook lijkt er niet per se heel veel toename te zijn.

svg-vis-timeline

Grammatica

Nu was ik natuurlijk benieuwd: had ik nieuwe grammaticale variatie ontdekt? Natuurlijk niet. Sterker nog: het is al gezien, en het schijnt zelfs onderdeel te zijn van een algemener fenomeen. Er is namelijk een tendens om het bijwoord op te nemen in de zelfstandig-naamwoordsgroep. Dat stellen Van der Horst & Van der Horst in ieder geval in hun geweldige Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw. Ze geven zowaar nog wat voorbeelden:

(3) het voor u beste abonnement
(4) het misschien wel belangrijkste deel van het onderzoek.

Ah domper, heb ik toch niets nieuws ontdekt. Gelukkig is er later nog een passage waar iets over te zeggen is. Van der H. & van der H. stellen namelijk het volgende:

Dat leidt tot de veronderstelling dat de volgorde || de verreweg grootste, en || de verreweg meesten, zich pas in de loop van de 20e eeuw is gaan voordoen, hetgeen goed aansluit bij het taalgevoel van velen, ook nu, dat deze volgorde ongewoon is.

Ze baseren deze veronderstelling op het feit dat het Woordenboek Nederlandse Taal (WNT) alleen volgorde (1) noemt. Dat lemma is gebaseerd op materiaal van vóór 1921, en dus zal er toen nog geen variatie zijn geweest. Maar inmiddels weten we beter: die variatie was er al wel. De Van der Horsten hebben het dus mis,  en het WNT heeft het dus ook mis. Vooral dat laatste is interessant en problematisch.

Taaladvies?

Net zo interessant en problematisch is de andere opmerking die ik tegenkwam over het gebruik van verreweg.  In het monumentale Syntax of Dutch van Hans Broekhuis staat het volgende:

“the modifier cannot be adjacent to the superlative in attributive position; it precedes the definite determiner (deel Adjectives and Adjective Phrases p. 260)

Wat deze opmerking nog net wat lastiger maakt dan die van het WNT is dat Syntax of Dutch eind 20e eeuw geschreven is. Waar de schrijvers van het WNT nog geen computers tot hun beschikking hadden om te checken of er ergens bepaalde variatie voorkwam, is dat eind jaren ’90 veel minder waarschijnlijk. Toch blijft de mogelijkheid bestaan dat ook Broekhuis simpelweg niet wist dat er variatie was. Nogmaals, volgorde (2) lijkt een betrekkelijk marginaal verschijnsel te zijn. Maar feit blijft dat er aantoonbaar variatie is, en dat die niet wordt benoemd.

Onbedoeld normatief

Deze casus is een mooi voorbeeld van een groot probleem voor de taalwetenschap. Men wil in de taalwetenschap namelijk sinds een jaar of honderd een onderscheid maken tussen descriptie (beschrijving) en prescriptie (voorschrijving). Taalwetenschappers zouden moeten beschrijven wat er gebeurt, en niet wat er zou moeten gebeuren. In de praktijk zijn die twee echter ontzettend moeilijk te scheiden. Je kunt een beschrijving namelijk altijd interpreteren als een norm. Zeker als je zulke onvoorwaardelijke uitspraken doet als in Syntax of Dutch. Want stel dat ik tekstschrijver ben, en me afvraag ‘hoe het moet’. Met googelen kom je al snel juist deze uitspraak tegen: ‘cannot be adjacent’. Het lijkt dus alsof Broekhuis zegt: alleen verreweg de is goed, iets anders kan niet. Of hij het nou wilde of niet, door een onvoldoende genuanceerd beeld van de variatie te geven, wordt de meer frequente vorm tot norm verheven. Overigens kun je best beargumenteren dat deze vorm ook daadwerkelijk de norm is, maar dat is een andere discussie. Dat hangt maar net af van hoe je een norm vaststelt, en bovendien, dan ben je eigenlijk dus een taaladviesboek aan het schrijven.

Al met al is het voor taalwetenschappers dus zaak om zeer zorgvuldig met bestaande variatie om te gaan. In dit geval zou ik zeggen: Verreweg de is verreweg de frequentste vorm, maar de verreweg komt ook marginaal voor. In taaladviestermen: wat mij betreft is het prima om hier vrije variatie toe te staan. Verreweg het interessants.

 

Taaladvies is de onderdrukking van variatie

Op dit blog heb ik tot nu toe af en toe iets inhoudelijks over mijn onderzoek verteld en een paar keer iets over de methodologie. Ik heb nog niet geschreven over de theorie achter wat ik doe. Ook die is interessant, en de moeite van het delen waard. Daarom vandaag iets over de rol van prescriptivisme en taaladvies in taalstandaardisatie, en vooral over de relatie tussen taaladvies en variatie.

Standaardisatie

Een aantal talen, waaronder het Nederlands en het Engels, heeft een standaardisatieproces ondergaan. Dat proces vindt meestal plaats omdat er de behoefte ontstaat aan een zogenaamde supraregionale taal: een taal waarmee mensen uit verschillende regionen met elkaar kunnen praten. Die behoefte kan voortkomen uit handel, maar vaak ook uit politiek (zie Burke 2004 voor een interessante kijk hierop). Taalstandaardisatie is een complex proces, maar waar het in het kort op neer komt is dat er een bepaalde taalvariant wordt gekozen, dat die variant in steeds meer situaties gebruikt wordt, en dat een op zeker moment deze variant wordt vastgelegd. Die gebeurtenis, codificatie genoemd, is belangrijk voor taaladvies, maar is meestal niet één moment. Voor het Nederlands bijvoorbeeld zou je kunnen zeggen dat de spelling van Siegenbeek en de grammatica van Weiland belangrijke codificatiemomenten inhielden. Het ging toen namelijk om de eerste officieel door de regering gesanctioneerde vastlegging van het Nederlands. Maar ja, het hield daar niet op, en het begon er ook niet.

Overigens is er steeds meer bewijs voor het feit dat er alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is van standaardisatie die ‘af’ is, waar een bepaalde groep zich onder bepaalde omstandigheden volledig aan de vastgestelde standaard houdt. Er is eigenlijk altijd veel meer variatie dan je denkt (zie bijvoorbeeld werk van Gijsbert Rutten en anderen in Leiden) Daarom wordt ook wel gezegd dat standaardisatie geen punt is maar een richting. De codificatie is in die richting een bepaald punt, waar mensen op kunnen terugvallen. Zó moet het, zoals toen vastgelegd. En zo komen we bij prescriptivisme.

Prescriptivisme

Volgens een van de theorieën over taalstandaardisatie (die van James en Leslie Milroy) gaat een taalgemeenschap na de codificatie een laatste fase in: die van onderhoud. In deze prescriptivistische fase wordt de gecodificeerde norm verspreid en in stand gehouden. Dat gebeurt o.a. door integratie van de norm in het onderwijs, en door taaladvies. Taaladvies kan verschijnen in boekvorm, in tijdschriften, op radio en via ieder ander medium. Misschien wel het belangrijkste aspect van taaladvies is dat het zich niet meer richt op de taal als geheel. Het richt zich alleen op die stukjes van taal waar variatie bestaat.

Variatie

Als je nadenkt over standaardisatie als algemeen fenomeen, dan is het niet moeilijk om te begrijpen dat variatie en standaardisatie elkaar niet goed liggen. Sterker nog, ze klinken eigenlijk als elkaars tegenpolen. Kun je een standaard hebben die variabel is? Dat is een interessante, zelfs filosofische vraag lijkt me. Voor veel dingen kan het denk ik niet, of is het in ieder geval niet wenselijk. Het is onhandig als dingen als de kilo, het spoor, de indeling van tijd en rechtspraak allemaal anders zijn. Dan weten we waar we aan toe zijn, en dan kunnen we met elkaar in dezelfde samenleving wonen. Veel mensen zijn het erover eens dat standaarden handig zijn: er is zelfs een heel instituut voor, het NEN!

Voor taal lijkt men dezelfde keuze te hebben gemaakt. De norm voor de standaardtaal staat in gevallen waar variatie is bijna altijd slechts één van de vormen toe. Dit noemt men in de theorie de ‘suppression of optional variability‘, de onderdrukking van optionele variatie. Waar variatie is, daar zeggen taaladviseurs: slechts een vorm is juist. Of het nou gaat om groter als/dan, awkward/ongemakkelijk, de NS is/zijn en ga zo maar door: de mogelijkheid om te kiezen wordt onderdrukt. Allerlei andere aspecten van taaladvies kunnen verschillen, zoals de doelgroep, de onderwerpen, de toon, de argumenten, maar dit basisbeginsel blijft overeind.

Altijd?

Taaladvies onderdrukt variatie, dat is het uitgangspunt van de theorie. Maar of dat in de praktijk altijd zo is, dat is eigenlijk nog maar de vraag. Wat mij betreft is dit typisch zo’n algemene, theoretische uitspraak, die niet per se gestoeld is op minutieus onderzoek in de data. Gelukkig ben ik bereid om dat soort onderzoek te doen.  Ik heb tot nu toe twee onderzoeken gedaan, allebei op basis van taaladvies in Nederland in de 20e eeuw. In mijn eerste onderzoek nam ik een willekeurig sample van 1678 taaladviezen uit 130 gidsen (1917-2016), in het tweede onderzoek bekeek ik de ontwikkeling van advies over het gebruik van als en dan, dat waren 250 gevallen in 75 publicaties (1932-2017). Ik vertel graag een andere keer gedetailleerder over de onderzoeken (bijvoorbeeld over die vreemde aantallen).

Uit mijn onderzoek blijkt dat taaladvies zeker niet altijd alle variatie uitsluit. In verreweg het grootste deel van de taaladviezen gebeurt dat echter absoluut wel: in respectievelijk 85% en 84% van de gevallen werd geen variatie toegestaan. In die andere gevallen werd soms variatie volledig toegestaan, soms onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld wel in gesproken maar niet in geschreven taal) en soms werden dingen gezegd als ‘het is niet fout maar niet fraai’. Opvallend zijn de bevindingen als je kijkt naar het verloop over de tijd: bij mijn algemene sample wordt er steeds ietsje meer variatie toegestaan (naar 29% vanaf 2010), maar bij als/dan wordt er steeds minder variatie toegestaan. Taaladvies over als/dan lijkt dus strenger te worden. Ik ben er nog niet over uit waarom dit gebeurt, en waarom dit tegen de trend in gaat. Mijn hypothese is dat sprake is van stereotyperende focus: men laat over het algemeen de teugels vieren, maar is bij bepaalde sjibbolets juist extra streng. Daarover later meer.

Nodig?

Kortom, de titel van dit blog is niet helemaal waar. En de theorie lijkt dus óók niet helemaal waar te zijn. Het onderdrukken van variatie gebeurt heel veel in taaladvies, maar er wordt ook variatie toegestaan. Die toegestane variatie is bereboeiend, en geeft inzicht in de willekeur van taaladviezen. Waarom mag wel de/het gordijn maar niet meisje die? Enfin, daarover een andere keer meer.

Acroniemen in de wetenschap

De afgelopen maanden werkte ik mee aan een project dat als doel had werken over de Nederlandse taal bijeen te brengen en beschikbaar te maken. Inmiddels is een deel hiervan ontsloten via deze website. Er is nog een wereld te winnen, je kunt het bijvoorbeeld niet doorzoeken, maar daar wordt aan gewerkt. Enfin, daar wilde ik het eigenlijk niet over hebben. Ik wil het hebben over mijn bijdrage aan het project. Die bestond vooral uit begeleiding van de noestwerkende studentassistent Bo Grisel, maar ik heb ook de naam van de database bedacht. En dat is heel leuk, en geeft me een mooi excuus om over een van mijn vele obscure hobbys te praten: wetenschappelijke acroniemen.

Even voor de duidelijkheid: een acroniem is een afkorting die je als woord kan uitspreken. GFT is dus géén acroniem, noch is KNMI dat, of VVD. Wel acroniemen zijn bijvoorbeeld RIAGG, NAVO en NASA. In de wetenschap is het al een tijd de sport om voor projecten, databases, tools en andere academische uitwassen een mooi acroniem te bedenken. Ik vind dat geweldig, en ik ga hier dan ook volledig in mee. Het zijn de geweldigste processen om aan deel te nemen ook, echt brainstormen met een grote B. De vereisten zijn als volgt:

  • het acroniem moet lekker uit te spreken zijn. PRZEWAL werkt net, en is misschien leuk als genealogische database voor Russische paarden, maar ideaal is het niet. Beter zijn bijvoorbeeld de Nederlandse voorbeelden DANS en CLARIAH.
  • het kan een verwijzing naar een bestaande naam of bestaan woord zijn (zie Momfer). Nadeel is dan wel dat je minder makkelijk gevonden kan worden op Google. Als je bijvoorbeeld iets TRUMP noemt zul je eerst wat ander materiaal tegenkomen denk ik. Ook hier is CLARIAH dus best handig. En DAGENTA overigens ook.
  • het kan een grap zijn (zie NoDaD)

Inmiddels heb ik de volgende acroniemen ter wereld gebracht:

DAGENTA – DAtabase GEschiedenis Nederlandse TAalkunde

DAVONS – DAtabase VOorbeeldzinnen Nederlandse Schoolboeken. Voor een projectje waar ik mee aan de slag ga. Geen bestaand woord, maar het bekt wel lekker vind ik.

NoDaD – Normative Database of Dutch. Dit is de werktitel voor mijn overzicht van taaladviesliteratuur in de 20e eeuw. Ja, in het Engels, maar in het Nederlands kreeg ik er geen grap uitgeperst. Ik sta open voor suggesties. Overigens is het best mogelijk dat deze opgaat in DAGENTA

MOMFER – Meertens Online Motif FindER. Voor deze kan ik maar een beetje credits nemen, hij komt vooral uit de koker van Folgert ‘Robokapje’ Karsdorp. Extra grap van hem is het gebruik van de landcode van Mali, ml. Daarmee is de link naar een bepaald geliefd kinderkarakter best groot geworden…

Wel bijna allemaal met database, nou ja, daar is even niets aan te doen. Ik zal de eerste zijn om te zeggen dat het allemaal nog beter kan, maar ik ben dan ook nog slechts de Jongste Bediende. Het fenomeen is in ieder geval genoegzaam bekend (heerlijke uitdrukking), kijk maar eens hier, hier, hier of hier voor lijstjes.

Mensen hebben er zelfs papers over geschreven (ja, papers meervoud). Schitterend materiaal, zo navelstaarderig en meta als maar kan. “Tussen 2000 en 2012 is het aantal acroniemen in de titels van medische publicaties toegenomen”, zo concludeert een paper, “maar de technische en esthetische kwaliteit is wel verminderd.” Daar kunnen we het mee doen zeg… Hoe dan ook, als altijd ben ik benieuwd naar jullie favorieten, of eigen creaties!

Waarom iedereen brievenboekjes moet lezen (1)

Het is een groot punt van ergernis voor veel mensen: de aanhef van emails. Zelf schreef ik ook weleens over de grote variatie die je hierin vindt. Het probleem is natuurlijk dat we niet meer weten hoe het moet. Er zijn geen hele duidelijke regels voor aanhef die iedereen op school heeft geleerd, en die terug te vinden zijn in legio boeken. Hoe anders is dat voor de nobele brief! Voor dat medium heb ik in ieder geval nog wel regels geleerd. Bovendien zijn er enorm veel adviesboeken, die precies uitleggen wat je wanneer moet doen. En met precies bedoel ik ook echt precies exactemundo: je verbaast je over wat voor vormen er allemaal staan in een brievenboek.

Brievenboeken bestaan al honderden jaren. Ze werden traditioneel gebruikt om mensen handvatten te geven. Immers, als je nooit een brief schreef, dan was het handig om te weten hoe dat ongeveer moest. De boeken bevatten vaak geen regels, maar voorbeelden of templaten, die je kon invullen zoals je wilde, of als voorbeeld kon gebruiken. Weinig creatief, maar wel heel handig. Dit soort boeken met voorbeelden vind je overigens nog tot diep in de 20e eeuw. Afgelopen weekend werd ik verblijd met een exemplaar van zo’n boekje: een 35e (!) druk van Hoe schrijf ik mijn brieven van W. Blom (die tot een 47e druk zou komen!). Dit boekje bevat zulke geweldige voorbeelden, dat ik ze wel met jullie moest delen.

Sorry

Neem allereerst even dit templaat, dat we vinden onder het kopje ‘Delicate brieven:

Geachte Heer Welter,

Nadat wij gisteravond in enigszins opgewonden toestand uit elkaar gingen lijkt het mij goed, de kwestie, die ons bezighoudt eens rustig uiteen te zetten.
Ronduit verklaar ik u, dat het allerminst in mijn bedoeling ligt u ook maar in enig opzicht te krenken of te benadelen etc.

En zo gaat het nog een tiental regels verder. Heerlijk toch? Even schitterend is het begin van het voorgestelde antwoord, waarin het er nog even lekker wordt ingewreven:

Geachte Heer De Ronde,

Uw schrijven verraste me, omdat ik niet had gedacht, dat u zo ruiterlijk uw ongelijk zou erkennen. (…) Mijnerzijds is de goede wil om tot een overeenkomst te komen steeds aanwezig geweest. U moet echter bedenken, dat de toeschietelijkheid, ook in deze aangelegenheid, moeilijk slechts van één kant kan komen.

Ook deze brief bevat nog meer moois, waarvoor ik graag naar een van de 47 edities verwijs. Andere delicate kwesties zijn overigens onder andere Wegens nalatigheid, Aan iemand door wie men beledigd is en Om iemand te waarschuwen voor de gevolgen van zijn handelingen.

Liefde of stalking?

Even schitterend maar ook enigszins zorgwekkend zijn de voorgestelde liefdesbrieven:

Zeer geachte Mejuffrouw,

op het gevaar af, dat u mij mijn vrijmoedigheid kwalijk zult nemen, trek ik de stoute schoenen aan om u deze brief te schrijven.
Al zovele maanden lang, zie ik elke morgen bij het openen van mijn raam uw lieve gezichtje, wanneer u bezig bent uw bloemen te verzorgen. En steeds weer stel ik mij voor, dat u dit zult doen in mijn huis en als mijn vrouw.

en ook:

Hooggeachte Mejuffrouw,

(…) Uw lieflijke gelaatstrekken zweven mij dag en nacht voor ogen en hoewel ik anders gezond kan slapen, laat de gedachte aan u mij vaak zelfs ’s nachts geen rust.
Daarom, nadat ik reeds die eerste avond zo vrij was geweest u te volgen en uw adres te noteren, schrijf ik u nu met het dringend verzoek mij toe te staan nader kennis met u te maken.

Hmm, ik weet niet of dit nog zou kunnen. Ik hoor weleens mensen zeuren dat Tinder alle romantiek uit het daten haalt, maar als dit het alternatief is. Iemand tot aan haar huis volgen? Dat heb ik zelfs in mijn meest minnezieke puberteit niet gedaan.

Huwelijk

Ten slotte nog even iets over brieven omtrent het huwelijk. Jullie begrijpt dat dit mijn speciale aandacht heeft (ik ga er zelf formelere van praten). Sowieso is het opvallend dat er allerlei verschillende soorten huwelijken worden gefaciliteerd: van een oudere heer, van een weduwnaar aan een weduwe, een huwelijksadvertentie. En natuurlijk de antwoorden. De positieve antwoorden zijn aardig, maar echt smullen is het ‘Weigerend antwoord’:

Mijnheer,

Hoezeer ik ook overtuigd ben van de oprechtheid van uw gevoelens, moet ik u tot mijn spijt mededelen, dat deze bij mij geen enkele weerklank kunnen vinden.
Voor beide partijen lijkt het me, na deze teleurstelling voor u, beter een ontmoeting in de eerste tijd te vermijden.

Poeh, daar kun je het mee doen zeg. Zielig, maar voor de liefhebber van brievenboekjes is het een feest. Wat een veelvoud van mogelijkheden. Ik heb nog niet eens gehad over Retournering van een postorderbestelling, Modernisering van een kruidenierswinkel, Om een betrekking als chauffeur bij een dokter, of Aan de bloedverwanten van iemand, die door een ongeval lichamelijk letsel heeft. 

Wat is de mooist vertaalde titel?

9200000070040599

Ik hield vanochtend mijn adem in. Daar, op het bureau van mijn kamergenoot Paul Hulsenboom (ook promovendus aan de Radboud Universiteit), lag een boek met een van de mooist vertaalde titels die ik ken: Simon Schama’s Overvloed en Onbehagen. In het Engels heeft dit boek ook al een vrij fraaie titel (The Embarrassment of Riches), maar toch vind ik de Nederlandse titel nóg mooier. De Engelse titel is namelijk een bestaand idioom (sowieso notoir moeilijk te vertellen), dus dat is toch makkelijker. Maar die mooie vertaling en de opeenvolgende o’s (is dat assonantie of alliteratie?), die maken de vertaling een juweel wat mij betreft.

l_reisgenotenblok

Dit is nou typisch iets waar ik me al jaren van bewust ben, maar waar ik nooit echt over heb nagedacht. Waarom zijn sommige vertalingen mooier dan andere? Ik ga even voorbij aan het feit dat überhaupt sommige titels mooier zijn dan andere, dat is een ander verhaal. Nee, die vertalingen dan: waarom zijn die mooi? Soms is dat een klankaspect (zoals bij O&O), soms is het een extra dimensie die wordt toegevoegd. Dat gebeurt bij In de ban van de ring bijvoorbeeld. Ik heb dat altijd veel mooier gevonden dan het platte Lord of the Rings. In de ban van de ring benadrukt namelijk het belang van die ring, en niet van Sauron. Bovendien vind ik die lange opeenvolging van eenlettergrepige woorden prettig klinken. En dan hebben we het nog niet eens over die schitterende cover.

1001004000883722

Het kan overigens ook van Nederlands naar Engels: het is cliché geloof ik (in de zin dat veel mensen de mening zijn toegedaan), maar ik heb The garden where the brass band played ook altijd mooi gevonden. Hier is de originele titel óók heel mooi, want een stuk cryptischer (De koperen tuin). Sowieso grossierde Vestdijk natuurlijk in ondraaglijk schitterende titels, maar enfin.

Zoals gebruikelijk lijkt er wel aandacht te zijn besteed aan rare en foute titels. Al dat geklaag, daar wordt een mens niet goed van. Lijsten van mooie vertalingen vind ik zo snel niet, maar ik ben mokerbenieuwd (zoals men tegenwoordig schijnt te zeggen). Wat vinden jullie mooi vertaalde titels en waarom? Ik hoor het graag!

Hoe vaak komt achenebbisj voor en in welke omstandigheid?

In al mijn onschuld las ik afgelopen vrijdag dit artikel in de Volkskrant, over de verkoop van het Westergasterrein in Amsterdam. Halverwege het artikel sloeg plots mijn hart een slagje over. Ik kwam namelijk de volgende zin tegen:

“Het was destijds een vervallen industrieterrein met onder meer een achenebbisj parkeerplaats voor stadsbussen”

Achenebbisj. Dat is me toch een heerlijk woord. Het Jiddisch straalt er vanaf, door de opkomende ach en de neerdalende sj. Weinig Nederlandse woorden hebben een spelling die zo buitenaards is. Om het modern te zeggen: ik zat me daar een potje te genieton.

Hoe vaak?

Genieten kan ik echter zelden lang doen. Ik wil meteen meer weten over mijn lustobject. In dit geval vroeg ik me af wanneer ik het woord voor het laatst had gezien, en hoe vaak het eigenlijk voorkomt. Gelukkig is het best makkelijk op die tweede vraag een antwoord te geven (de eerste vraag blijft voorlopig helaas onbeantwoord, ik kan niks bedenken).

In de Volkskrant vind ik het woord 24 keer in de periode 2000-2018. Ook in NRC komt het ongeveer zo vaak voor, te weten 22 keer. Daar zitten wel vier gevallen bij uit de periode 1997-2000. Overigens maakt NRC tegenwoordig als je zoekt direct een fraai grafiekje van voorkomen over tijd, rechtsboven. Heel fijn. Ook wordt aangegeven welke schrijvers het hoe vaak gebruiken. Opvallend: geen schrijver komt boven de twee keer uit. Het is dus niet een woord dat sterk persoonsgebonden is. Ander grappig detail: in het Parool komt achenebbisj in de periode 2008-2018 12 keer voor. Dat is ongeveer evenveel als in de NRC en de Volkskrant. Ik had vaker verwacht, omdat het woord traditioneel met Amsterdam wordt geassocieerd. Sterker nog, in 2008 schopte het woord het tot Mooiste Amsterdamse woord. Maar die Amsterdamse associatie zien we dus niet terug in de lokale krant.

Waar gaat het over?

Dat is nog wel een andere aardige vraag. ‘You shall know a word by the company it keeps.’, is een bekende uitspraak in de taalwetenschap (credits: John Rupert Firth). Zijn er zaken of omstandigheden die, ik durf het haast niet te zeggen, achenebbisjer zijn dan andere? Om hier achter te komen moet je eigenlijk zoveel mogelijk voorkomens van het woord bestuderen, maar omdat ik ook weer aan het werk moet bekeek ik alleen de voorkomens in het NRC. Hieronder staan ze (het zijn er 20, er zaten twee dubbele bij):

geen achenebbisj winkeltje
allesbehalve een achenebbisj adresje
een wat achenebbisj kantoorpandje
haar achenebbisj ogend kantoortje
Zo ook het volgens Van Schie „achenebbisj” winkelcentrum
een tijdelijke „achenebbisj speelplek”
een koud en achenebbisj hok
In een achenebbisj restaurantje
haar hele achenebbisj keukentje
een achenebbisj kamertje
een oud achenebbisj huis
een achenebbisj straatje
een achenebbisje binnenplaats
Geen achenebbisj-club
een achenebbisj pandje
Een achenebbisj appartement

als achenebbisje slager

een `achenebbisj zooitje’
een achenebbisj zooitje

Wat er hier in de buitenruimte wordt geschapen is volgens haar altijd `achenebbisj’.

Wat een heerlijk vak heb ik toch. Al direct vallen drie dingen op. Of dit algemene trends zijn is niet te zeggen op basis van mijn eenzijdige sample, maar ik noem ze toch:

  • achenebbisj wordt zelden verbogen (alleen bij de slager komt er een -e achter)
  • achenebbisj wordt vrijwel uitsluitend gebruikt om het over plaatsen en plekken te hebben, zoals een straat, een huis of een appartement
  • in elf van de twintig gevallen staat het bijbehorend zelfstandig naamwoord in de verkleinvorm: pandje, straatje, restaurantje, zooitje

Over dit interessante gedrag wordt in geen woordenboek gerept (er wordt sowieso zelden over achenebbisj gerept: noch Van Dale Online, noch WNT kent het). Is er sprake van een betekenisverandering? Of is dit gewoon het type informatie dat niet in woordenboeken wordt vermeld? Fascinerend is het hoe dan ook. Het is een mooi voorbeeld van die uitspraak van Firth. Woorden op zich zijn leuk, maar ook context kan geweldig interessant zijn. Wie weet diep ik het allemaal nog eens uit wat betreft achenebbisj.

De NS wil/wilden: is NS nou enkelvoud of meervoud?

De nacht van vorige week donderdag op vrijdag heb ik niet thuis geslapen. Nadat ik eerst nog gezellig meedeed met #stormpoolen trok ik al snel de conclusie dat het niet ging lukken. Omdat ik ook geen zin had in een overvolle trein besloot ik de nacht door te brengen bij vrienden van m’n ouders. Die vonden dat gelukkig goed. Na een goede nachtrust werd ik bij het ontbijt direct weer aan de stress van gisteren herinnerd. Trouw opende namelijk met deze kop:

Screenshot 2018-01-19 09.32.34

Die kop is taalkundig interessant, want er komt een Heet Hangijzer uit het taaladvies in voor, te weten: is NS enkelvoud of meervoud?

De NS wil/wilden

Ter introductie: er kan twijfel bestaan over het getal van NS, en daarmee over het getal van het bijbehorende werkwoord. De afkorting NS staat namelijk natuurlijk voor Nederlandse Spoorwegen. Spoorwegen is meervoud, zeggen sommigen, en dus moet het werkwoord in het meervoud. Maar de NS is één bedrijf, zeggen anderen, en dus krijg je enkelvoud. Voor beide redeneringen is wel wat te zeggen. Dus, voor wie niet verder wil lezen en alleen op zoek is naar advies: er is geen doorslaggevende reden om het een of het ander te doen, volg je hart.

Interessant genoeg (en tot niemands verrassing) zijn taaladviseurs het niet eens over de keuze. Een aantal voorbeelden (soms ook over de VS of de VN):

Naïeve discongruentie komt alleen bij vergissing voor. Gewoonlijk is er een bijgedachte die de ontsporing veroorzaakt: a. Het onderwerp wordt naar zijn getal verkeerd geïnterpreteerd: De V.S. heeft een grote verantwoordelijkheid op zich genomen. (Hermkens 1974)

Nu we het toch over de Nederlandse Spoorwegen hebben, wat moet het zijn:
17a De NS hebben de tarieven weer verhoogd?
17b De NS heeft de tarieven weer verhoogd?
Ook hier ziet u dat de betekenis van het onderwerp het getal van de persoonsvorm beïnvloedt. De NS wordt ondanks het meervoud ook als enkelvoud gezien. (Renkema 1979)

Met werkwoord: NS bouwt aan de toekomst (enkelvoud; het Witte Boekje vermeldt meervoud achter het lemma NS, maar wij sluiten aan bij het gangbare spraakgebruik). Echter: de (Nederlandse) Spoorwegen (voluit) zijn … (meervoud). (Sanders & Metselaar 2002)

Meervoudige namen van landen, instellingen en organisaties behandelen we als meervoud, ook wanneer ze afgekort worden: De Nederlandse Spoorwegen/de NS lijden (De Berg 1999)

Wat is juist: De Verenigde Naties / De VN heeft de troepen teruggetrokken of De Verenigde Naties / De VN hebben de troepen teruggetrokken?
Alle varianten zijn correct. Bij Verenigde Naties is de meervoudige persoonsvorm het gebruikelijkst: De Verenigde Naties hebben de troepen teruggetrokken. Bij de afkorting VN zijn het enkelvoud en het meervoud beide gebruikelijk: De VN heeft/hebben de troepen teruggetrokken. (Taaladvies.net)

Zowel ‘De VS is een groot land’ als ‘De VS zijn een groot land’ is juist; de voorkeur gaat uit naar het enkelvoud. Als VS voluit wordt geschreven als Verenigde Staten, is het meervoud juist: ‘De Verenigde Staten zijn een groot land.’ (Taaladviesdienst Onze Taal)

En zo heb ik nog 38 voorschriften over deze kwestie. De volledig uitgeschreven vorm wordt door vrijwel iedereen uitsluitend als meervoud geaccepteerd. Enige uitzondering hierop lijkt taaladvies.net te zijn. Ik laat de uitgeschreven vorm verder buiten beschouwing. Wat betreft de afkorting (NS, VS, VN) wordt enkelvoud, meervoud of allebei geaccepteerd. Hieronder een overzicht van hoe vaak de verschillende interpretaties voorkomen in mijn sample van 44 taaladviespublicaties:

  1. alleen enkelvoud: 25x (57%)
  2. alleen meervoud: 12x (27%)
  3. allebei: 7x (16%)

Het is direct duidelijk: men is het er niet over eens. Toch is enkelvoud de veiligste keuze, afgaande op het taaladvies. “De NS heeft” wordt immers door 73% (57+16) van de adviseurs goedgekeurd, tegen 43% meervoud. Interessant zijn nog de volgende observaties:

  • Het taaladviesprobleem lijkt redelijk recent: Charivarius noemt al wel Staten-Generaal, maar verder komt het in mijn corpus voor 1990 alleen voor bij Dominicus (1962), Hermkens (1974), Renkema (1979), Apeldoorn & Pot (1983) en Renkema (1989). Let wel: ik kijk alleen naar de 20e eeuw.
  • Acceptatie van alleen meervoud lijkt ouderwetser: van de bovenstaande zes gidsen accepteert alleen Renkema enkelvoud.
  • Er is in de periode 1990-2017 geen duidelijke ontwikkeling meer in de acceptatie van het een of het ander.
  • De argumentatie komt in het kort neer op wat ik al eerder schreef: accepteer je NS als één bedrijf (best iets voor te zeggen), dan ga je voor enkelvoud, ga je uit van Spoorwegen dan kom je op meervoud.

Doen wat je zegt te doen

Mijn hele promotie richt zich op de relatie tussen voorschrift en gebruik. Ik had nu zo snel geen tijd gehad om te kijken of er in dit geval sprake is van een relatie en wat die is, maar ik kan wel kijken naar gebruik. Dat is namelijk al direct interessant. De NS zelf gebruikt bijvoorbeeld enkelvoud (Update: de NS beschouwt de NS inderdaad als één bedrijf, zie hier): “NS is actief in de wereld van het openbaar vervoer.” Je zou dus kunnen denken dat andere instanties dat volgen. Houet 2000 zegt immers:

“Of we dergelijke benamingen altijd als meervoud of als enkelvoud moeten beschouwen, hangt onder meer af van de keuze van de organisatie zelf.”

Zoals we hierboven zagen wordt dat niet gedaan. Maar wat is de voorkeur van de taalgebruiker? Trouw doet dit duidelijk niet, maar houdt zich wel consequent aan de eigen regel, zoals gesteld in het Trouw Schrijfboek (De Berg 1999). Ook NRC houdt zich aan de eigen regel, en gebruikt (hier bijvoorbeeld) enkelvoud. De Volkskrant lijkt zich echter niet aan de eigen regels te houden. Zowel in 1992 als in 1997 stelt de Volkskrant in haar Stijlboek dat NS als meervoud moet worden opgevat, maar in dit stuk staat enkel enkelvoud. Misschien is er inmiddels een nieuwe gids uit, maar zo niet, dan moet er toch iets meer aan redactie worden gedaan. Of de regel moet worden aangepast.

Wat kiest de taalgebruiker

Deze casus is een van de gevallen waar ik binnen mijn proefschrift aan werk. Een uitgebreidere analyse van gebruik volgt later dit jaar. Maar voor de aardigheid is het leuk om even snel te kijken of er een heel duidelijke ontwikkeling in enkelvoud/meervoud is waar te nemen. Ik keek daarom op een aantal verschillende plekken.

Allereerst twee wilde zoekopdrachten op Google. Die resultaten spreken voor zich: “NS heeft” levert aanzienlijk meer hits op (±77.000, 19/1/2018 16:32) dan “NS hebben” (±14.00, idem), en “NS is” komt vaker voor dan “NS zijn” (981.000 vs 18.900, 19/1/2018 16:51). In de groep meervoud zitten bovendien samengestelde onderwerpen zoals “De NS en ProRail hebben besloten”. Vervolgens bekeek ik 1000 Tweets die op 19 januari ongeveer tussen 10.00 en 14.30 werden gestuurd, en waar “ns” in voorkwam. De dichtheid was nogal laag, maar toch inzichtelijk. De 51 tweets waarin “De NS” onderwerp was vatten dat onderwerp namelijk in 100% van de gevallen op als enkelvoud.

Update: schrijver en promovendus Bram Faber bekeek de ontwikkeling van het meervoud en enkelvoud op Google. Op basis van die data lijkt het gebruik van enkelvoud toe te nemen!

Screenshot 2018-01-26 10.12.34

Wat gebeurt er in 2002 in het NRC?

Ten slotte zocht ik op “NS” in het VU-DNC-corpus. Dit corpus bestaat uit twee verzamelingen krantenberichten uit de vijf grote kranten (NRC, AD, Volkskrant, Trouw en Telegraaf), een uit 1950/1951 en een uit 2002. Leuk, dacht ik: vergelijken hoe het gebruik is veranderd! Helaas kwam “NS” als afkorting niet voor in het oudere materiaal. In het nieuwere materiaal kwam het daarentegen een aantal keer voor. De resultaten komen overeen met bovenstaande observaties: Trouw gebruikt altijd meervoud, De Volkskrant uitsluitend enkelvoud. In De Telegraaf komt NS maar drie keer voor, maar telkens met enkelvoud.

Tot dusverre weinig aan de hand. Maar in de NRC-data staat iets vreemds. In drie artikelen wordt enkelvoud gebruikt, maar in één artikel juist alleen meervoud. En het wordt nog vreemder. In het corpus zitten namelijk twee berichten van 12 december 2002. Daarin staat het volgende:

De NS schrappen opnieuw 440 arbeidsplaatsen.
De Nederlandse Spoorwegen schrapt 440 voltijds arbeidsplaatsen.

NS schrapt 440 arbeidsplaatsen
De Nederlandse Spoorwegen schrappen 440 arbeidsplaatsen om 50 miljoen euro uit te sparen.

De kop zal door iemand anders zijn gemaakt dan de broodtekst, daarmee is al iets verklaard. Maar verder is er niets duidelijk. Men gaat twee keer in tegen de eigen geboden, en bovendien met een zeldzame Spoorwegen + enkelvoud. Heel vreemd.

Al met al lijkt de NS tegenwoordig meer als enkelvoud dan als meervoud te worden opgevat. Of dat vroeger ook zo was is onduidelijk. Totdat ik toegang heb tot meer taaldata kan ik daar geen uitspraken over doen. Die data gaan er komen, en de uitspraken ook. Over de NS, maar ook over een heleboel andere grammaticale problemen. Voor nu ben ik vooral benieuwd naar jullie eigen gebruik en intuïties. Ik ervaar die kop van Trouw als best vreemd. Jullie gedachten?

PS Ik zit inmiddels ook op Twitter, @MartenvdMeulen

10 manieren om in ieder gesprek taalkunde te beoefenen

Taalkundige zijn is een schitterend beroep waarin je je nooit hoeft te vervelen. In een serie tweets bracht Marc van Oostendorp dit gisteren naar voren:

Dit is voor mij intens herkenbaar. Als sinds de basisschool verveel ik me eigenlijk nooit. Ik ga altijd iets doen, iets bestuderen. Op school werd dat niet echt gewaardeerd. Inmiddels heb ik stillere methoden bedacht, en die hebben veelal betrekking op taal. Want Marc heeft gelijk: een taalkundige hoeft zich nooit te vervelen. Zelfs de saaiste vergadering kan boeiend worden. Altijd taalkunde!

Af en toe word ik er ook wel een beetje moe van hoor, dat die voelsprieten niet uit kunnen. Maar zo gaat dat met beroepsdeformatie. Ik ken ook mensen die beroepshalve eigenlijk niet meer naar de film kunnen. Meestal is mijn taalfocus gelukkig leuk en goed. Omdat ik net als de nederigste zendeling ook alleen maar wil delen wat voor mij goed is, geef ik hieronder mijn lijstje alledaagse onderzoekjes. Veel plezier!

  1. Gemarkeerde woorden. Gebruiken mensen woorden die ik zelf nauwelijks gebruik? Kan ik erachter komen waarom zij dat woord gebruiken? Ik herinner me nog de schok die door me heen ging toen ik voor het eerst iemand niet-ironisch het woord ‘shinen‘ hoorde gebruiken. Heerlijk.
  2. Andersom is ook heel leuk: als ik een gemarkeerd woord een paar gebruik, neemt mijn gesprekspartner het dan over? Ik doe dit weleens heel bewust met het woord ‘taai’: “dat was een taaie vergadering”. Dat is denk ik goed te begrijpen, maar niet heel gebruikelijk. Het is al wel voorgekomen dat mijn gesprekspartner later in het gesprek ook iets taai noemt. Missie geslaagd, voorbeeld van lexicale diffusie (zie hier, 15.1.3), heerlijk fenomeen in een notendop.
  3. Groeten. Ach dat is zo’n immens gelaagd sociaal gebeuren. Wanneer begroeten mensen elkaar wel en niet? Hoe gaat dat bijvoorbeeld in de lift? Er spelen zoveel factoren een rol: moment van de dag, inschatting van relatieve status, leeftijd, ga maar door. Ook leuk in de wachtkamer en in het bos. Net zo boeiend: luister eens naar hoe vaak mensen elkaar gedag zeggen aan de telefoon.
  4. Accentje raden. Hier ben ik niet heel goed in, maar het is wel een leuk spel. Opnieuw helpt het om te luisteren naar gemarkeerde klanken, zoals natuurlijk de g, maar ook klinkers bijvoorbeeld kunnen leuk zijn. Iemand kan natuurlijk ook uit een Mysterieus Buitenland komen, dan is het al helemaal leuk om te luisteren naar welke klanken diegene in het Nederlands anders uitspreekt dan gebruikelijk.
  5. De taal van de NS, die blijft fascineren. Welke manieren bedenkt de NS nu weer om verantwoordelijkheid te ontlopen? Welke andere vreemde zinswendingen gebruiken ze? “Op het volgende station kunt u uit- of overstappen” bijvoorbeeld is eigenlijk heel vreemd: uitstappen moet je sowieso!
  6. Hoe ziet het taalkundig landschap eruit? Welke talen en schriften worden er gebruikt op posters en op reclameborden? Ook: hoe heten winkels en waarom? Altijd wat te beleven, bijvoorbeeld of er over shawarma of shoarma wordt gesproken.
  7. Kan ik andere patronen ontdekken in ’s mens taalgebruik? Dit doen mensen om een of andere reden heel vaak bij mij. Ik schijn nogal veel in lijstjes te praten, en zeg dus heel vaak dingen als ‘dit is om twee redenen een goed idee’. Deze methode is wel voor gevorderden, want je moet goed opletten en best wat tijd met iemand doorbrengen.
  8. Turn-taking, ook al zo geweldig. Wie komt op welke manier aan de beurt? Op welke momenten in een gesprek valt iemand binnen, en op wat voor manier? Mensen doen dit intuïtief meestal goed: ze weten wanneer ze mogen beginnen, en ze weten wanneer ze zelf moeten stoppen. Het gaat ook weleens mis: ik hoor soms iemand proberen drie keer hetzelfde verhaal te beginnen. Fascinerend.
  9. Ja ja, Italianen praten met hun handen. Maar zij zijn echt niet de enigen: wij doen het ook, en ongetwijfeld doet eigenlijk iedereen het tot op zekere hoogte. Maar welke gebaren worden gebruikt om wat te ondersteunen? En kun je de vorm van het gebaar aan de betekenis koppelen? Dat laatste is vooral heel geinig: in mijn ervaring worden vaak hele vreemde gebaren gebruikt.
  10. Samentrekking. Het is een publiek geheim dat we heel veel woorden helemaal niet zo netjes uitspreken als we denken. Eigenlijk wordt eik, natuurlijk wordt tuuk. Maar het komt veel vaker voor, en er zijn wetmatigheden in het voorkomen te ontdekken (daar doet bv Mirjam Ernestus leuk onderzoek naar). Probeer langzaam na te zeggen wat iemand tegen je zei en verbaas je over de enorme hoeveelheid samentrekkingen.

En dit is maar het begin. Ik ben ontzettend benieuwd naar jullie ervaringen. Doen jullie bovenstaande onderzoekjes weleens? Op welke taalelementen letten jullie anders?