Zonder bloggen was ik geen promovendus geworden

Laatst was er wat aandacht voor bloggende wetenschappers. Naar aanleiding van een opiniestuk van Maarten Keulemans schreef ik een reactie, reageerde Jona Lendering en schreef ook Marc van Oostendorp een opinie. We waren het over sommige dingen oneens, maar over één ding waren we het volgens mij eens: bloggen over wetenschap is belangrijk en fijn. Voor mij zit hier nog wel een persoonlijke dimensie aan: als ik niet had geblogd, was ik misschien wel geen promovendus geworden. Bovendien heb ik nog wel meer te danken aan bloggen: minstens twee boeken, een groot netwerk, en een bepaalde schrijfvaardigheid. Daarom deze ode aan bloggen, vanuit persoonlijk-historisch perspectief.

Milfje

Samen met de onvergelijkbare Sterre Leufkens begon ik eind 2012 te bloggen op het inmiddels fameuze De Taalpassie van Milfje. Ik deed dat om twee redenen: ik miste taalkundige bagage in veel debatten (die zouden wij wel even leveren), en ik wilde output leveren. Output over wat ik leerde in mijn studie (toen nog Engels), over wat er in de media gebeurde, over lollige en serieuze taalgerelateerde onderwerpen. Ik schreef wel papers, maar het was niet genoeg, en dus begon ik (begonnen we) met bloggen. Het was een laagdrempelige vorm, en er waren toch niet veel mensen die het lazen. Al doende leren, zo dachten we.

Anglicismen

In het najaar van 2014 besloten Sterre en ik nog een extra project op te zetten: de verkiezing van Anglicisme van het Jaar. Voor de jury wilden we ook wat experts. Logischerwijs kwamen we uit bij Nicoline van der Sijs, de grande dame van de studie van anglicismen en andere leenwoorden. We legden contact, we hadden een leuk gesprek, ze wilde wel meewerken. Zo gezegd zo gedaan. Daar had het bij kunnen blijven, maar het liep anders.

In het voorjaar van 2015 was ik bezig mijn studie af te ronden. Ik probeerde een promotieproject op te zetten met iemand uit Leiden, maar dat liep spaak. Ik (en mijn toenmalige studiepartner) besloten met het project, dat betrekking had op de historische taalkunde en prescriptivisme, naar Nicoline te gaan. Ik kende haar immers (via bloggen!), en zij was ook een expert. Zij was enthousiast, werkte mee, schreef mee, maar we kwamen helaas niet door de subsidieronde. Ik ging daarom rustig afstuderen, en werkte aan Staat van het Nederlands (via Frans Hinskens, die ik had leren kennen via Nicoline, dus eigenlijk ook via bloggen). In het voorjaar van 2016 schreef ik het project in mijn eentje om, en diende het vervolgens in Nijmegen in. Nu had het wel succes. Voila, een promotieplek uit een blogcontact.

Netwerk

Ik vind het dus niet overdreven om te zeggen dat die promotieplek dus te danken is aan de contacten die ik had gelegd via het bloggen. Dat is namelijk verworvenheid 1: netwerk. Dat ging vrij eenvoudig: ik blogde, mensen reageerden. Op ons stukje over de spatie in het logo van Rijksmuseum bijvoorbeeld. We deden nog iets anders: we interviewden mensen uit Het Veld. Het waren geen diepgaande interviews, maar ze zorgden er ook voor dat weer andere mensen de stukjes lazen. En gaandeweg kwamen mensen terug, om nog eens te discussiëren, of om aanvullingen te doen. Langzamerhand leerden we mensen kennen, eerst online, later soms ook offline. Dat was leuk, maar zo’n netwerk is ook nogal handig (zie promotieplek).

Aansluitend op netwerk is zichtbaarheid. Mark Dingemanse, die ik ook weer ken via bloggen, schreef dat ook in een reactie op een post laatst. Bloggen helpt enorm voor je zichtbaarheid. Er zijn mensen die mij in eerste instantie kennen door Milfje. Zo werd ik laatst op een congres nog aangesproken door een promovenda uit Berlijn: a ja, natuurlijk, ik was van Milfje. Ik kan niet ontkennen dat het flatteus is, maar het is vooral ook opnieuw handig en nuttig. Zichtbaarheid leidt tot netwerk, en dat leidt tot kansen en tot nieuwe vrienden. Dat laatste is ook niet onbelangrijk: ik ken dankzij bloggen een hoop nieuwe leuke en interessante mensen.

Schrijven

Bloggen heeft nog een gigantisch positief effect: je leert ervan schrijven. Ik zal de laatste zijn om te beweren dat ik een Groot Schrijver ben, maar wat ik onomstotelijk ben is een beter schrijver dan zes jaar geleden. Ik ben beter in structuur aanbrengen, ik kan makkelijker aan opbouw werken, en ik schrijf onnoemelijk veel sneller. Dat zijn vaardigheden waar je ook veel aan hebt als academicus. Voor ons is schrijven tenslotte een van de meestvoorkomende activiteiten. Natuurlijk is een blogpost anders dan een artikel, maar ik neem zeker wel iets van de vaardigheid mee.

Concreet

Wat heeft het me nu dus al met al concreet opgeleverd? Ik zal het eens op een rijtje zetten. Sommige dingen zijn direct een gevolg van het bloggen, andere meer indirect.

  • een promotieplek
  • netwerk
  • zichtbaarheid
  • schrijfvaardigheid
  • twee boeken (contacten bij Van Dale werden gelegd omdat ze ons kenden via het blog)
  • media-optredens (meer radio dan ik me kan herinneren, een opiniestuk in NRC, een interview in het Parool, AT5, Omroep Max etc)
  • mediavaardigheid (ik was al geen schuwe spreker, maar ik merkte vorige week bij Gert Late Night nog dat de ervaring van iets vaker hebben gedaan heel prettig is)
  • kennis (voor veel stukjes moest ik nieuwe dingen lezen)
  • een dikkere huid (je hebt mensen die trollen, of die niet op een normale manier online kunnen communiceren. Eerst was dat vervelend, nu kan ik er beter mee omgaan)

Ik vind dat een alleszins acceptabele score. Denk niet dat dit zomaar aan is komen waaien: bloggen kost heel veel tijd. Toch denk ik dat de verworvenheden opwegen tegen de tijdsinvestering. Ik kan dan ook iedere promovendus of student aanraden om te bloggen. Het kost tijd, het is niet altijd leuk, je moet het soms in gestolen uurtjes doen, maar het levert je zóveel op. En niet alleen dat: het draagt ook bij aan de wetenschappelijke geletterdheid van het Grote Publiek, het kan draagvlak voor je onderzoek creëeren, en je kunt bijdragen aan actuele debatten (geen overbodige luxe in de fact free wereld). En als je geluk hebt, levert het je zelfs een promotieplek op.

 

Waarom is er geen Nederlands 2?

Er is ophef over de studie Nederlands. Iedereen bij de opleidingen wist het al, maar nu weten ook alle mensen daarbuiten het: het aantal studenten loopt al jaren terug. Het wordt algemeen als zorgwekkend ervaren, en er worden zelfs Kamervragen over gesteld. Hoe is de daling te verklaren? Volgens mij is het vrij simpel: heel veel potentiële studenten zijn naar studies als Communicatie- en Informatiewetenschappen gegaan (die studie loopt als een trein, in Nijmegen alleen al honderden studenten). Anderen wijzen ook naar het schoolvak Nederland. Daar is al langer kritiek op. In die kritiek mis ik echter één punt: waarom is er geen verdiepend vak Nederlands?

Poëzie

Toen ik op de middelbare school zat (ik deed eindexamen in 2003) koos ik in de bovenbouw het profiel Cultuur & Maatschappij. Dat had een aantal consequenties voor het lesaanbod dat ik kreeg. Een daarvan was dat ik Duits 2 en Frans 2 kreeg. De bedoeling van die vakken was om verdieping te bieden bij Frans 1 en Duits 1, die meer op vaardigheden waren gericht. Die verdieping was vooral bij Duits 2 enorm. We behandelden daar namelijk poëzie van na de Tweede Wereldoorlog, o.a. het bekende gedicht lichtung van Ernst Jandl. Ik ken het nog steeds:

manche meinen
lechts und rinks
kann man nicht velwechsern
werch ein llltum

Aan de hand van dit gedicht praatten we over taal, over politiek, over vorm, over filosofie en over de Duitse maatschappij. Het maakte allemaal diepe indruk op me. Hoe kon je zóveel ophangen aan zo’n klein gedicht!  Ik ging er geen Duits van studeren (de liefde voor Engels was te groot), maar het werkte oprecht verdiepend. Voor een deel was dit de verdienste van de geweldige docent die ik had (dank Eli), maar het werd gefaciliteerd doordat er überhaupt een paar uur in de week was waarbij je verder kon gaan dan woordjes leren en teksten lezen.

Nederlands

Nu past dit allemaal misschien helemaal niet meer binnen de manier waarop het huidige schoolvak Nederlands is opgezet. En sowieso bestaat de mogelijkheid voor verdieping al wel door projectweken oid. Maar dat doet er voor mijn punt niet echt toe. Want waarom bestaat de mogelijkheid van verdieping niet sowieso als vak voor Nederlands? Waarom is er geen Nederlands 2, waarbij je (als je wil) verder kijkt dan de basisvaardigheden? Ik vraag me overigens hetzelfde af voor het Engels. Waarom biedt je juist voor die talen niet de mogelijkheid voor thema’s die dieper gaan en die eventueel ook nog eens goed kunnen aansluiten op de universitaire studie?

Je kunt bijvoorbeeld wat dingetjes taalkunde, literatuur en taalbeheersing pakken. Dat is op zich al winst. Maar je kunt ook alles samen laten komen in één thema. Neem bijvoorbeeld iets betrekkelijk relevants als migratie. Je zou kunnen kijken de manier waarop tweedetaalleerders omgaan met het Nederlands (zie hier voor een interessant voorbeeld), naar de manier waarop daarover wordt gedebatteerd (taalbeheersing), naar nieuwe literatuur (Akyol, Bouazza, Kader Abdollah om maar wat te noemen), maar ook naar de rol van migratie in de geschiedenis, en naar de receptie van migratie. Prop dat allemaal in een verdiepingsvak en je geeft scholieren volgens mij een veel beter beeld van waar de studie Nederlands over gaat. Bij mij zou het motiverend werken.

Ik zeg zeker niet dat je er alle problemen mee oplost. Het vak zelf moet óók op de schop, en met mijn idee creëer je vast allemaal nieuwe problemen. Maar ik denk dat je er ook wat mee wint. Je komt nieuwsgierige studenten namelijk in ieder geval een beetje tegemoet. Alle beetjes helpen. Er wordt al wel aan gewerkt (Marc wees me bijvoorbeeld op het veelbelovende Plusprogramma Nederlands), maar wat mij betreft is het een lekker top-down beslissing, en wordt het in de lesprogramma’s geïntegreerd.

Nu in de winkel: Het Groot Nederlands Vloekboek!

Beste reizigers, het is tijd voor wat schaamteloze zelfpromotie. Ik heb namelijk niet één maar twee nieuwe boeken geschreven: Het Groot Nederlands Vloekboek en Het Groot Vlaams Vloekboek! Ze liggen vanaf vandaag in de winkel en zijn ook op internet tevloekboek voorkant bestellen. Voor wie nog niet overtuigd is op basis van voorkant of titel volgt hieronder een kort reclamepraatje.

Hoe het ging

In het najaar van 2017 kreeg ik een bericht van mijn zeer gewaardeerde megacollega Fieke van der Gucht, met wie ik eerder aan Staat van het Nederlands werkte. Wat ik van vloeken vond. Nou, toevallig houdt deze Haagse jongen ENORM van vloeken. Zeker sinds zijn moeder in de jaren ’90 een serie over verwensingen uit de Volkskrant voor hem uitknipte (een serie die later als Krijg de vinkentering werd uitgegeven). En dus toog ik naar Antwerpen, om met de Bedenkers te praten, én met Lannoo, de geïnteresseerde uitgever. De bedenkers bleken twee jonge kerels, Robbe en Willem, die respectievelijk het ontwerp en de illustraties maakten. En die mogen er zijn, kijk maar (de kerels ook, maar ik bedoel de visuals):

41539525_2054865204532655_7961696557244350464_o

Leuk en leerzaam

Het uitgangspunt was visueel, en dat is terug te zien in het formaat van het boek: het is een kloeke hardcover van koffietafelformaat. Aan mij en Fieke was de schone taak om het visuele plezier van wat taalkundige bagage te voorzien. Nou, die is er gekomen, daar kan niemand omheen. Over de kwaliteit zal men vast kunnen twisten, maar ik ben er enorm blij mee. Nog nooit heb ik in een boek zó ongegeneerd flauwe en vieze grappen mogen maken, nog nooit heb ik me zo wanstaltig kunnen misdragen wat betreft bizarre metaforen en malle voorbeelden. Heer-lijk.

Maar ik heb ook enorm veel geleerd. Wat een grawlix is. Wat een scheefpoeper is, en een scheve lavabo. Over de etymologie van hufter en pleur op, over de vreemde betekenisverandering die kut heeft ondergaan. Over het gebruik van randdebiel in de jaren 1960 (dat Zal Je Verbazen!). Over scheldnamen en copropraxia. En ga zo maar door. Als er verder niemand blij mee is, dan is dat jammer, maar ik heb er in ieder geval alvast hard om moeten lachen, veel van geleerd en genoten.

Kopen!

Overtuigd? Dan naar de winkel! Koop vooral de Nederlandse én de Vlaamse versie: de boeken overlappen slechts voor 50%, en zelfs in die overlap is nog variatie te vinden! Meer weetjes, meer lachen, en vooral: meer tekeningen! Want echt, je kunt het kopen omdat er leuke dingen instaan over taal, maar je MOET het kopen vanwege de tekeningen.

Aandacht aan besteden her of der? Zie hier het Officiële Persbericht. Mijn mede-auteur en ik zijn beschikbaar voor media-optredens. Als je mij boekt hoor je bijvoorbeeld een enorm enthousiaste en trotse schrijver, die waanzinnig blij is met de geweldige samenwerking. Het is een beetje een sigaar in je eigen doos steken, maar ik vind het twee fantastische boeken.

Publiceren als promovendus: alleen of met anderen, boek of artikelen?

Vroegah was het gebruikelijk dat je proefschrift een boek was, met een kop en een staart, in één keer in zijn geheel uitgegeven. Tegenwoordig is dit in veel vakgebieden anders. Daar bestaat een proefschrift uit een aantal artikelen, waar je een algemene introductie en conclusie bij schrijft. In mijn hoek van de wetenschap komen beide vormen voor. Er zijn zeker nog mensen die promoveren op een boek, waarvan delen misschien in een of andere vorm wel in de buitenwereld worden gebracht (voor of na verschijning van het boek), maar deze manier neemt in mijn ervaring wel af. Ik kan in ieder geval nog kiezen, en dat betekent dat ik moet hierover nadenken. Bovendien is er een andere dimensie: moet ik juist alleen of met anderen publiceren?

Artikelen

Om maar meteen mijn standpunt duidelijk te maken: volgens mij heeft het publiceren van artikelen een aantal voordelen. De eerste heeft met naamsbekendheid te maken. Door te publiceren leren mensen je kennen. Mensen lezen een artikel eerder dan een proefschrift. Je doet ook (om het oneerbiedig te zeggen) je plasje over een onderwerp. Dat klinkt puberaal, maar het is best belangrijk. Stel dat ik al vier jaar bezig ben met een onderwerp, maar iemand komt er tussendoor met iets heel vergelijkbaars. Daar sta je dan. Maar als jij er al over geschreven hebt, dan krijg je op z’n slechts een referentie, en op z’n best een samenwerking.

Een tweede voordeel is dat je door artikelen te publiceren ook meer feedback krijgt, door peer review. Ik heb daar bijvoorbeeld al veel aan gehad. Niet alleen maak ik nu betere grafieken, maar ik heb ook uitleg toegevoegd waar dat nodig was, ik heb theoretische begrippen toegelicht, en ik heb methodologische dingetjes verfijnd. Om nog maar te zwijgen van alle nieuwe literatuur waar mensen me op hebben gewezen. Overigens is het ook goed voor de wetenschap: bij gepeerreviewde (brr) artikelen is er meer kwaliteitscontrole dan bij een eenmalig boekje.

Een derde voordeel is misschien meer een noodzaak. Als je na een promotie een beursaanvraag wil doen, moet je eigenlijk ook publicaties hebben. Alleen een proefschrift is te weinig, hoe stom dat ook is (want het kan ontzettend goed zijn). Maar naast een proefschrift óók publiceren is ontzettend veel werk. Te veel werk. Het is veel handiger om dan simpelweg delen van je proefschrift alvast naar buiten te brengen.

Afleiding

Een meer procesmatig voordeel dat ik ervaar is dat het heel erg fijn is om afgeronde projecten te presenteren. Dit deelt het lange promotietraject op in meer behapbare delen. Ik vind het ook fijn om een groter project te hebben, een kapstok om dingen aan op te hangen, maar ik denk dat ik gek zou worden als ik vijf jaar lang aan één abstract project zou werken. En ik loop weinig aan tegen de Vloek der Promovendi: writer’s block, omdat ik telkens strakke deadlines heb.

Dit laatste voordeel heeft ook, om de Profeet te parafraseren, nadelen. Je kunt verzuipen in kleine projecten. Ik heb daar al wel last van eerlijk gezegd. Als je allemaal kleine diamantjes probeert te slijpen kun je de grotere diadeem uit het oog verliezen. Ook feedback is leuk, maar zo’n reviewproces slokt veel tijd op. Aan de andere kant word je wel weer gedwongen om over je eigen werk na te denken. Het kost veel tijd, maar het levert kwaliteit op.

Samen of alleen

Bij het publiceren van artikelen komt nog een ander aspect om de hoek kijken: moet je in je eentje publiceren of met anderen? Ook hier speelt conventie een rol. In mijn vakgebied is het nog steeds vrij gebruikelijk dat je in je eentje publiceert; in andere vakgebieden (medicijnen, technologie) is dit eigenlijk ongehoord. Een van de belangrijkste redenen hiervoor schijnt het delen van credits te zijn. Supervisoren steken tenslotte ook wat tijd in de publicaties, dan mogen ze ook delen in de eer. Overigens worden zij ook afgerekend op hoeveel ze publiceren. Door met promovendi te schrijven krikken ze hun eigen gemiddelde op. Belangrijker nog is dat samen publiceren een transparante manier van publiceren is. Zelfs als er namelijk maar één auteur is, dan is de kans klein dat deze niet in meer of mindere mate input of feedback van collega’s heeft gekregen.

Samen met anderen publiceren heeft voor een promovendus zeker nog twee andere potentiële voordelen. Ten eerste kan een artikel meer worden gelezen als de naam van je promotor er ook opstaat. Die is (in principe) een stuk bekender dan jij. Zo introduceert een promotor dus zijn of haar promovendus in de academische wereld. Het tweede belang kan (opnieuw) de beursaanvraag zijn. Vooral NWO is erg geïnteresseerd in vooral internationale samenwerkingen. Zulke samenwerking kan natuurlijk allerlei vormen aannemen (ik converseer bijvoorbeeld per mail af en toe met mensen uit de VS en Australië), maar met gedeelde publicaties is de samenwerking blijkbaar het duidelijkst.

Toch kan het publiceren met anderen een nadeel met zich meebrengen. Het kan voor buitenstaanders namelijk onduidelijk zijn hoeveel jij hebt bijgedragen. Een collega van me merkte dit onlangs, toen ze solliciteerde. Ze noemde daar als publicaties de artikelen die samen haar proefschrift vormden. Iemand uit de sollicitatiecommissie trok echter haar bijdrage daaraan in twijfel: ze was immers telkens slechts een auteur van velen. Ik heb dit ook eerder gehoord, over de stukjes die Sterre en ik voor Milfje schreven: hoe kon je dit aanhalen als publicatie, het was toch niet duidelijk wie wat had gedaan? Hoe wijdverspreid dit probleem is weet ik niet, maar dat het überhaupt bestaat is al problematisch, en onoverkomelijk lijkt me. Zou iedereen precies moeten zeggen welk deel hij/zij geschreven heeft?

Artikelen, wellicht samen

Mijn conclusie is duidelijk: ik promoveer op artikelen, die al dan niet enigszins omgeschreven verschijnen in mijn proefschrift. Sommige van die artikelen schrijf ik alleen, maar ik ga samenwerkingen zeker niet uit de weg. Ik ga echter niet alleen maar internationale samenwerking zoeken omdat NWO dat zo graag wil. Het moet wel inhoudelijk functioneel zijn. We hebben al genoeg eisen aan onze broek hangen.

* dank aan Jos Swanenberg en Lysbeth Jongbloed, met wie ik onlangs sprak over deze onderwerpen

Publicaties die elkaar inhalen

Vorig jaar juni presenteerde ik de eerste resultaten van mijn onderzoek. Sindsdien heb ik een aantal presentaties gegeven, en zijn verschillende papers in uiteenlopende fasen van publicatie. Daarbij loop ik tegen een curieus probleem aan: ik moet refereren aan dingen die al wel bestaan, maar die niemand nog kan zien. Dit levert een vreemd circulair probleem op: het paper dat ik als eerste schreef verschijnt waarschijnlijk als laatste. Mijn publicaties halen elkaar dus in. Publiceer ik te veel?!

Gebruikelijk

Op zich is dit natuurlijk helemaal niet nieuw. Het is in de wetenschap algemeen bekend dat de raderen vaak traag draaien. Het kan soms jaren duren voordat het hele proces van acceptatie, review en publicatie doorlopen is. Gedurende dat proces is het vaak al wel gunstig voor een wetenschapper om deze publicaties te noemen, bijvoorbeeld als je een beursaanvraag doet. Soms mag je daar overigens alleen gepubliceerde publicaties noemen. Dat vind ik heel raar: publicaties lopen vaak twee jaar achter, zeker bij invloedrijke journals. Je hebt dus niks aan je meest recente of meest impactvolle werk, terwijl dat juist ook weer belangrijk is. Lekker dan.

Enfin, dat is een ander verhaal. Ik vind het wel boeiend om te zien hoe die nog-niet-verschenen publicaties worden genoemd. Ik ben verschillende termen tegengekomen: in press, accepted, forthcoming, submitted en to appear. Die eerste is het beste: alles is gedaan, je weet ongeveer wanneer de boel verschijnt. Van de andere labels zijn accepted en submitted vrij duidelijk: er is een journal, en het paper is in de molen gegooid. Die andere twee labels, forthcoming en to appear, zijn vager, en geven een onduidelijk status aan. Bovendien zijn gebruikers het niet eens over wat ze precies betekenen. Je kunt het zelfs gebruiken voor een paper waar nog geen woord van is geschreven, maar waar je wel een idee over hebt. Maar dat doe ik liever niet, die lijst is eindeloos.

Raderen

Waar ik nog geen ervaring mee had is dat de raderen op verschillende snelheden draaien. Het duurt bijvoorbeeld erg lang voordat proceedings van een conferentie die in een zogenaamd ‘special issue’ (een aflevering van een tijdschrift die speciaal is gewijd aan één onderwerp) verschijnen. Om een indruk te krijgen: de conferentie was in juni 2017, in februari stuurde ik mijn paper in, en ik kreeg een week geleden de reviews. Wanneer de boel verschijnt is nog volstrekt onduidelijk.

Tussendoor presenteerde ik echter in januari een casus op de Grote Taaldag. Het journal dat naar aanleiding daarvan wordt gemaakt heeft een zéér korte doorlooptijd: ik stuurde 1 april mijn paper in, kreeg begin mei de reviews, verwerkte die voor 1 juni, en kreeg kort daarna te horen dat mijn paper definitief geaccepteerd was. Ik verwacht de drukproeven ieder moment: de bundel verschijnt sowieso vóór februari 2019. Inmiddels is er zelfs nóg een paper dat in een niet gepeerreviewde (peergereviewde? brr) bundel verschijnt, maar waar wel weer nieuwe dingen in staan. Die komt, volgens de editor, “eind dit jaar” uit. Nóg weer eerder dus. Het wordt een wirwar van referenties. En dan presenteer ik morgen ook nog eens een paper op een conferentie in Boedapest. Ik raak totaal in de knoop.

Dan maar zelf

Om dit probleem te ondervangen ben ik nu een post aan het schrijven waarin ik in ieder geval mijn annotatieschema uit de doeken doe. Dat is een vrij omvangrijk stuk, en daarom wil ik het eigenlijk niet in ieder paper herhalen. Maar toen ik dat voor een van de papers niet deed, kreeg ik deze (terechte) opmerking van een reviewer: “hoe kan ik zien hoe je annoteert als je paper waarin dat staat nog niet uit is?” Door in ieder geval dit schema te publiceren kan ik daarnaar verwijzen. Het is dan wel niet peer-reviewed, het is in ieder geval een ijkpunt, én ik kan verwijzen naar Van der Meulen (2018).

Daarnaast biedt het publiceren van dit schema natuurlijk een mooi kijkje in de keuken. Open Kitchen Science noemt Rosanne Hertzberger dat. Eigenlijk is dat al langer wat ik hier doe: niet alleen schrijven over observaties en resultaten, maar ook over methodologie. En over het wetenschappelijk proces, daar kan ook altijd nog meer aandacht voor komen vind ik.

Kortom: ik hoop snel (morgen) een stukje van mijn onderzoek te publiceren. Let wel: dit gaat in het Engels gebeuren. Waarom dat is, daarover kunnen jullie hier lezen. Korte antwoord: de taal van de wetenschap is Engels, mijn doelgroep hiermee is (ook) wetenschappers, dus Engels. Ik ga uit van jullie begrip. Tot morgen!

Het probleem met taalverloedering

Jongens, we kunnen ons weer verheugen: er is een nieuw programma over taal op tv! Gisteren was de eerste aflevering van de S.P.E.L.-show. Ik zal eerlijk zijn: mijn maag begon al bij het zien van de titel te borrelen, en ik heb dus ook niet gekeken. De tekst op de website van BNNVARA bracht namelijk een flinke portie antiperistaltiek met zich mee: “Het gemiddelde taalniveau in Nederland daalt: jongeren kunnen minder goed lezen en schrijven dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden. De S.P.E.L.-show van Astrid Joosten komt als geroepen.” Alsof zij daar ook maar íets aan gaat veranderen zeg, allemachtig… Een interview in het AD opende bovendien met dit stukje tekst:

Astrid Joosten (60) windt – met dt – zich op. Ze signaleert om zich heen taalverloedering en dat gaat de presentatrice aan het hart. “Ik constateer dat onze taalvaardigheden achteruitgaan.”

Het deed me denken aan een interview met Ad Verbrugge van Beter Onderwijs Nederland (BON). In een stuk op de site van NOS werd hij een tijdje terug als volgt geciteerd:

“Er is sprake van taalverloedering en achteruitgang van de uitdrukkings-vaardigheid in het Nederlands bij mensen die later belangrijke functies in het openbaar bestuur en de rest van de maatschappij innemen.”

Dat begrip, taalverloedering: dat hoor je wel vaker (bijvoorbeeld bij de huidige kampioen taalzeuren Japke-d), maar het is eigenlijk een heel lastig iets. Want wat is het eigenlijk, en hoe kom je erachter of er sprake van is?

Wat is taalverloedering?

Het lijkt simpel: taalverloedering is verloedering op het gebied van taal. Verloedering betekent een verslonzing (aldus Van Dale), en dat is dan weer het ‘door on­zorg­vul­di­ge be­han­de­ling er slor­dig uit doen zien’. Een belangrijk element in de woorden verloedering en verslonzing is -ing: dat betekent dat er sprake is van een ontwikkeling, niet van een statische situatie. Taalverloedering dus impliceert een verloop van tijd. Taalverloedering is altijd iets wat optreedt ten opzichte van een situatie in het verleden. Het is nooit duidelijk of die situatie een bepaald punt is, of dat de taal verloedert in relatie tot een langere periode, maar er is altijd sprake van (laten we sjiek blijven) temporele degradatie. Dit lijkt dus vrij helder: als er sprake is van taalverloedering dan betekent dit dat er nu meer slordige taal wordt gebruikt dan eerder.

Hoe kun je taalverloedering constateren?

Het eerste probleem is de slordigheid. Dat woord suggereert dat er geen sprake is van structurele taalfouten per se, maar van onverzorgdheid. Voor mij impliceert slordigheid een verschrijving, een per ongelukke afwijking. Een student die structureel ‘groter als’ schrijft in plaats van ‘groter dan’ schrijft niet in overeenstemming met de standaardtaalnorm, maar is er sprake van slordigheid? Ik zou zeggen van niet. Dit maakt het idee van slordigheid, en daarmee van taalverloedering, lastig te meten: wanneer is er wel, wanneer geen sprake van? Je zou het taalsysteem van iedere taalgebruiker die je bestudeert in kaart moeten brengen om te zien wat structureel is en wat slordig. Maar goed, een beetje onderzoeker bekijkt dit van alle kanten en operationaliseert een mooie werkdefinitie.

Stel dat je zo’n werkdefinitie hebt, en je weet welke fouten je wil bestuderen. Dan kun je met data aan de slag. Vanwege de tijdsdimensie is het ogenschijnlijk eenvoudig taalverloedering te meten. Je neemt simpelweg een hoeveelheid taaldata (essays van studenten bijvoorbeeld) over een bepaalde tijd, en die vergelijk je met elkaar. Zeg tussen 1900 en 2010 ieder decennium 100 essays, liefst over hetzelfde onderwerp, liefst ongeveer evenveel woorden. Je telt de fouten, vergelijkt de samples, maakt een mooi grafiekje en trekt je conclusies. Makkelijk als een appeltaart, zoals onze Angelse buufjes zeggen.

Is er ‘sprake van taalverloedering’?

Zowel Verbrugge (“er is sprake van taalverloedering”) als Joosten (“Ik constateer dat onze taalvaardigheden achteruitgaan”) zijn zeer categorisch. Hun uitspraken suggereren dat er dus daadwerkelijk vergelijkend onderzoek is gedaan, uitgaande van een werkbare definitie van wat taalverloedering is. Maar hier zit het probleem: dat onderzoek is er niet. Er is (voor zover ik weet) nog nóóit een onderzoek geweest dat twee punten in de tijd heeft genomen en heeft laten zien dat er meetbaar meer slordige fouten worden gemaakt dan vroeger. Er is dus sprake van een gevoel. Dat gevoel kan leiden tot interessant onderzoek, maar het is dus niet gestaafd door data. Om daar zó categorisch uitspraken over te doen, dat is dus je reinste onzin.

Waarom denken we dat er taalverloedering plaatsvindt?

Nu wordt het wat mij betreft interessant: waarom doen Verbrugge en Joosten dan die uitspraken? Waar komt dat gevoel dan vandaan? Daar zijn volgens mij drie oorzaken voor te identificeren. De eerste is een set van cognitieve biases, waaronder de frequency illusion. De bekende taalkundige Arnold Zwicky stelt dat die als volgt werkt: als je iets eenmaal ziet, ga je het steeds meer zien. Dit staat ook wel bekend als het Zwangere Vrouwen Syndroom, waarbij je, als je zwanger bent, opeens overal zwangere vrouwen ziet. Bij taal werkt dat net zo. Bovendien is er de recency illusion: als jij iets pas sinds kort waarneemt, denk je dat iets pas sinds kort voorkomt. En dan heb je bij taal ook nog last van een negative bias: je let meer op dingen die fout zijn. Sowieso vallen dingen die afwijken meer op dan dingen die niet afwijken. Kortom: zowel het feit dat je ‘foute’ taalvormen ziet, als dat je denkt dat het er meer zijn, dat kán allemaal tussen je oren zitten.

De tweede oorzaak kan het Golden Age Syndrom zijn, bekend van de slogan Vroeger Was Alles Beter. Als er sprake is van taalverloedering, dan moet er een periode zijn geweest waarin taal beter was. Wanneer was dat dan? Ook vroeger dacht men dat er sprake was van taalverloedering. Willem Diemer schreef in 1964 bijvoorbeeld al dat leerlingen slecht zijn in taal; in haar oratie haalde Muriel Norde een citaat aan van Cicero, uit 46 voor Christus, waarin min of meer hetzelfde werd gezegd. Met andere woorden: dit is een soort algemeen menselijk nostalgisch gevoel. In de woorden van Woody Allen, in Midnight in Paris:

PAUL The name for this fallacy is called Golden Age thinking.
INEZ Touche.
PAUL The erroneous notion that a different time period was better than the one, one’s living in. It’s a flaw in the romantic imagination of those who find coping with the present too difficult.

En dan de derde oorzaak: mensen hebben geen duidelijk idee van hoe het vroeger was. Nu wordt een docent beroepshalve geconfronteerd met fouten, maar er is geen bewijs dat die fouten vroeger niet óók werden gemaakt. Wie van degenen die nu klaagt las tijdens zijn of haar studietijd alle essays van medestudenten? Niemand. Dikke kans (zeker weten doen we ’t niet) dat daar ook allerhande fouten in stonden. De klager zelf, tsja, die is niet representatief: die is namelijk doorgegaan in academia. Je mag nooit je leerlingen spiegelen aan jezelf, dat is basale pedagogiek.

Laten we maar lekker ophouden over taalverloedering

Kortom: beter onderwijs, prima. Rechtszaak aanspannen om dat te bewerkstelligen: als jullie denken dat dat nodig is, doe je ding dan maar. Een tv-show met spelling, nou ja, als er mensen naar kijken, doe je ding dan maar. Als je iets lelijk vindt (niks ís lelijk, dat is een mening), dan moet dat maar. Maar begin alsjeblieft niet over taalverloedering, want dat is niets meer dan een onbewezen gevoel.

Hoe doe ik onderzoek (3) data schoonmaken

Een nieuwe aflevering in mijn serie over methode! Ik vertel met liefde niet alleen over de keuzes die ik maak binnen mijn onderzoek (over temporele afbakening bijvoorbeeld, maar ook over de dagelijkse praktijk van mijn wetenschappelijke bedrijf (bijvoorbeeld over data maken). Vandaag iets over data schoonmaken.

Zoals wellicht bekend gaat mijn promotieonderzoek over de relaties tussen taaladvies en taalgebruik. De eerste poot, taaladvies, heb ik voorlopig afgerond: ik heb een grote verzameling aangelegd van taaladviezen gedurende de twintigste eeuw, en daarover gepresenteerd (publicaties zijn onderweg). Nu ben ik sinds een tijdje bezig met het in kaart brengen van taalgebruik zelf. Zo kan ik advies en gebruik vergelijken. Maar bij het verzamelen van dat taalgebruik loop ik tegen een aantal problemen op. Hoe kom je aan een corpus bijvoorbeeld. Dat is ingewikkelder dan je zou denken (maar daarover een andere keer meer). Nu eerst iets over het schoonmaken van data.

Vieze data

Stel, je hebt een verzameling tekst. Je wil daarin (ik roep maar wat) kijken hoe de verhouding is tussen wil en wilt bij tweede persoon enkelvoud. Bekend is namelijk dat zowel je wil voorkomt als je wilt. Allereerst moet je dan een zoekopdracht (query in het Engels, ik ben gek op dat woord, het klinkt zo koddig) formuleren waarmee je in principe alle relevante gevallen te pakken krijgt. In het geval van wil/wilt kun je natuurlijk alleen op die woorden zoeken. Dan krijg je echter ook alle eerste (ik wil) en derde persoon (hij wil) vormen. Bovendien krijg je ook het zelfstandig naamwoord wil (De wil om verder te werken ontbreekt me). Dat wil je (hoera) allemaal niet. Wel wil je gevallen vinden met waar bijvoorbeeld het werkwoord vóór het persoonlijk voornaamwoord staat (wil je), en ook zijn jij en natuurlijk boeiend.

De juiste zin

Afhankelijk van het corpus dat je gebruikt krijg je op basis van bovenstaande query een set zinnen. Voor de corpora in Nederlab moet je je dan nog door een heleboel zinnen heenwerken die niet goed zijn gedigitaliseerd. Heel frustrerend en tijdrovend, maar ja, schoonmaken van deze data is door een betrokkene “onmogelijk” genoemd en “niet onze prioriteit”. Bovendien “kunnen ook bij vieze data wel onderzoeksvragen gesteld worden.” Ook in de toekomst zullen onderzoekers dus blijven zitten met data als onderstaande:

1928: voldoende ingelicht men weet het . En hier hebben wij een o . ommisSe . ïn vo ” £ & trng tot wie verschillende mensehen , die met de wet te maken hebben , om inlichtingen vragen , en

1947: “gebleken . I k krijg nl. vele verzoeken , die Handelingen dar Staten-GteneBaaL . – . 1 & 46—1947 . — L 44ste VEBGADEEING . — 8 MEI 1947 . eigenlijk op iets anders dan”

1947: “< ” ” ‘ DElFr ; ö .. UNK wr UNK UNK ROTTERDAM / ‘ ‘ f / s / i ‘ » * v w- ” W ” ” ” M i « ia g « • » m—p m « 2 $ Jt * V « V é & * Z * V <* 4 * 2B M * V 2 & * . SQ t J / i Ar / tfus / ltJ UNK óer tóWWRBBlÖKSV ‘ V — ‘”

1958: “het eigenlijk geen woorden van Plato zijn . De geachte afgevaardigde kent dat citaat natuurlijk : „ & iïog fisv Zcoxgarrj ? , aXXa ( piXxeqa r ) dArjêeia ” , hetgeen te vinden is”

Goed, gelukkig zijn er ook corpora die wel schoon zijn, zoals het Corpus Gesproken Nederlands. Daaruit kun je dan op een gegeven moment op basis van je query een set zinnen krijgen die in principe leesbaar is. Dan is het nog zaak om er zeker van te zijn dat die zinnen ook echt kloppen. Hoe specifiek je zoekopdracht ook is, het blijft mogelijk dat er gevallen in zitten die eigenlijk niet aan je opdracht voldoen. Wat betreft wil/wilt kom je bijvoorbeeld dit tegen:

je kan je kunt willen je wil je wilt . zullen jij (praatje over vervoeging)

dat ik uh dat ik je wil … oké . ik zou (wil slaat terug op ik)

klopt . ja of wil je wil je d’r wel heen ? (in principe goed, maar komt zowel als resultaat bij wil je als bij je wil, dus dubbele weggooien)

Van Gent . mevrouw Bussemaker wil u ook nog een vraag stellen (wil slaat terug op mevrouw Bussemaker en is dus derde persoon)

Heel erg goed met programmeren ben ik niet, maar ik denk toch wel te kunnen weten dat het lastig is om dit soort gevallen eruit te halen. Het is moeilijk formaliseren namelijk. Je zou kunnen denken: als ik voor je wil staat, dan slaat wil altijd terug op ik. Maar dat is niet per se zo. Je kunt ook de zin hebben: “Toen zei ik je wil toch niet zeggen dat je een hond bent?” Zelfs als je iets zou kunnen formaliseren, dan gaat het volgens mij om vrij veel condities met weinig resultaten. De vraag is dus of je niet langer bezig bent met condities bedenken dan met handmatig opschonen.

Lang bezig

Dat is wat ik nu aan het doen ben: handmatig opschonen tot ik een ons weeg. De komende maanden zal ik daar nog wel mee bezig blijven. Zo is het nou eenmaal: je zult geen wetenschapper vinden die niet toch nog eentonig handwerk moet doen. In publicaties blijft dat vaak heel impliciet, maar er zitten echt uren van betrekkelijk saaie arbeid achter. Helemaal niet erg, maar wel goed om te weten. Het heeft bovendien wel twee voordelen: ik leer mijn data heel intiem kennen, en ik kom weer eens toe aan het herluisteren van klassieke muziek. De symfonieën van Brahms heb ik gehad, vandaag en morgen staat het verzameld orkestwerk van Stravinsky op het programma. Dat is dan tenminste iets.

Opvallend taaladvies (7): wiens schuld?!

Hoewel ik inmiddels met ander onderzoek bezig ben, heb ik nog een enorme berg aan grappig, interessant en ronduit bizar taaladvies liggen. Vandaag: hoe taaladviseurs wel heel specifieke groepen de schuld geven.

Bij de meeste taaladviezen wordt niet expliciet gemaakt waar een vorm vandaan komt. De grote groep uitzonderingen hierop zijn de barbarismen: in die gevallen worden fouten gelegd bij het Engels, Frans, Latijn of Hebreeuws. Maar wie die fouten dan maakt, daar wordt weinig aandacht aan besteed. Soms zijn het studenten, soms slordige taalgebruikers of mensen die niet van taal houden (zucht). In een paar gevallen wordt een heel specifieke groep mensen als de schuldige voor een bepaald gebruik aangeduid.

De Maasbode brengt een artikel, dat …… Een kellnerterm of zoo iets > Ned. bieden (Haje 1932:36)

Zij waren hoog voldaan. Hoog fijn is in zijn beide deelen een afschuwelijk winkeliersgermanisme, wonderlijk genoeg wat hoog betreft, want hoogst zou allicht tot reclame beter voegen (Haje 1932:53)

Het woord [slagroom] is ingevoerd door de koks, die wij wel mogen beschouwen als weldoeners der mensheid, maar niet als betrouwbare gidsen op taalgebied. (Charivarius 1940:57)

U kent haar [tante Betje] niet? Och kom, dat is ondenkbaar! Iedereen kent haar, en velen vereeren haar zelfs, in het bijzonder handelscorrespondenten en opstellers van reclamegeschriften, maar ook vele anderen, die niet beter weten. (Van Wageningen 1946:102)

Met name bij ingenieurs is – naar mijn ervaring – het streven naar een conserverende verzorging van de taal niet zeldzaam (Veering 1966:27)

En dus niet, al gebeurt het in wielerverslagen vaak: De wielrenners zeiden al op de derde dag van de Tour dat ze geen moraal meer hadden.” (Schaafsma 2013:122)

Zijn deze beschuldigingen reëel? Misschien wel. Het is best begrijpelijk dat het woord slagroom bijvoorbeeld relatief veel wordt gebruikt door mensen die beroepsmatig met eten bezig zijn. Verder is het mogelijk dat handelscorrespondenten meer samengestelde zinnen gebruiken, waardoor de kans op een Tante Betje groter wordt. Ik zeg niet dat het zo is, ik zeg alleen dat het niet helemaal ondenkbaar is. Dat juist kelners relatief vaak het werkwoord brengen/bieden gebruiken is óók beroepshalve voorstelbaar: “Mag ik u nog een advocaatje brengen/bieden?” Alleen eigenlijk de observatie van Schaafsma lijkt me onwaarschijnlijk, en meer een afspiegeling van zijn mediadieet dan van een daadwerkelijke link.

Ik vind dit soort observaties knap interessant, en ik zou ze maar wat graag toetsen aan echt taalgebruik. Daardoor kun je namelijk inzicht krijgen in de opmerkingsgave van taaladviseurs: in hoeverre is wat zij zeggen nou echt gebaseerd op wat er gebeurt? Worden zij ook gehinderd door cognitieve biases zoals de recency illusion en de  frequency illusion? Het leidt verder naar de vraag in hoeverre mensen gelijk hebben als ze zeggen ‘je hoort het steeds vaker’ (waarover een andere keer meer). En daarmee krijg je weer inzicht in het algemene taalbewustzijn ten opzichte van frequentie bij taalgebruikers. Daar is al wel veel onderzoek naar gedaan, maar voor zover ik weet niet met betrekking tot betwiste taalvormen. Als iemand zin heeft hoor ik het graag.

“Een een een een een boek”: over lidwoordherhaling in gesproken taal

Ik ben dezer dagen voor allerlei onderzoeksdoeleinden lekker aan het klooien in het onvolprezen Corpus Gesproken Nederlands (CGN). Een van de voorbeelden die ik tegenkwam bevatte het volgende fragment:

het ook een een een boek dat

Een grappig voorbeeld: drie keer een op een rij! Ik wist wel dat mensen af en toe lidwoorden herhalen. In gesproken taal komt het best eens voor: het wordt gedaan om tijd te rekken, om even na te kunnen nadenken. Uh en uhm worden soms om dezelfde reden gebruikt. Maar voor zover ik weet houdt het wat betreft lidwoorden hierbij op: welke we herhalen en hoe vaak we dat doen, daar ben ik nog geen artikel over tegengekomen.

Bepaald of onbepaald

Worden bijvoorbeeld bepaalde of onbepaalde lidwoorden vaker herhaald? Ik had het daar toevallig over met een van mijn hooggeachte promotoren, Helen de Hoop. Zij hypothetiseerde dat onbepaalde lidwoorden vaker worden herhaald, omdat je bij zo’n lidwoord nog meer mogelijkheden hebt voor wat je gaat zeggen. Het woord onbepaald is hier doorslaggevend. Zo’n hypothese is in het CGN makkelijk te testen. Het enige wat ik moet doen is lidwoorden zoeken die op elkaar volgen. Een probleem: in principe zit natuurlijk ‘een een’ ook in ‘een een een’. Ik loste dit op door in mijn zoekopdracht telkens de combinatie van lidwoorden zowel te starten als te eindigen door ‘woord is níet (het lidwoord waar ik naar zoek)’. Ook zocht ik alleen op woorden die als lidwoord waren aangemerkt, om zo het telwoord één buitenspel te zetten. Zie hier beneden de resultaten.

  de het een
2x  2321 279 2919
3x  387 29 607
4x  96 9  133
5x  20 3  32
6x  6 0  14
7x  7 0  3
8x  0 0  2
9x  0 0  1
totaal 2837 349 3711

Ik moet zeggen: ik was toch behoorlijk verbaasd over hoe vaak dit voorkwam. In totaal vinden we herhalende lidwoorden in maar liefst 6897 gevallen. Ook opvallend vind ik de voorbeelden met heel veel opeenvolgende lidwoorden. Die gevallen zien er zo uit:

dat is een zeg maar een een een een een een een een een manier van genezing die uit Japan komt (9x een)

de de de de de de de zogenaamde aanschuifconferenties die we in Oudemanhuispoort hebben georganiseerd (7x de)

het is ’t is allemaal wat meer buiten het het het het het Haagse gekonkel (5x het)

De en een

Vervolgens valt op dat de en een veel vaker voorkomen dan het. Maar dat is misschien een effect van de totale aanwezigheid van die lidwoorden. Daar is makkelijk achter te komen door de relatieve frequentie van de lidwoorden in het corpus.

totaal corpus % lidwoord corpus % dubbele lidwoorden
de 249.339 52,5% 41,1%
het 53.230 11,2% 5,1%
een 172.332 36,3% 53,8%

Inderdaad komt het relatief minder voor, en dat verklaart deels ook het feit dat het minder voorkomt bij de verdubbelde lidwoorden. Maar daar is niet alles mee gezegd. Dan de andere hypothese: komt lidwoordherhaling inderdaad vaker voor bij onbepaalde lidwoorden? Het antwoord daarop is absoluut ja. Onbepaalde lidwoorden zijn stevig oververtegenwoordigd bij de verdubbelingen. Ze komen bovendien ook in langere combinaties voor.

Aanwijzende voornaamwoorden

Een andere collega van me, Joske Piepers, kwam op vervolgens op het lumineuze idee om ook naar aanwijzende voornaamwoorden te kijken. Deze (sic) zoekopdracht sluit aan bij een serie waar Marc van Oostendorp mee bezig is over het verschil tussen hier en daar, dit en datdit en deze zijn formeler en specifieker dan dat en die. Mijn vermoeden is dat dat en die dus vaker voorkomen, opnieuw vanwege de onzekerheid die in de woorden besloten ligt. Ik vermoed bovendien dat deze weinig wordt herhaald, omdat het niet eenlettergrepig is.

  die dat dit deze
2x  2986 8497 113 35
3x  411 542 12 3
4x  70 108 0 0
5x 13 11 0 0
6x  7 2 0 0
7x  2 0 0 0
totaal 3489 10160 125 38

Mijn vermoedens worden wederom bevestigd. Het verschil in frequentie is bovendien veel groter dan bij de lidwoorden: het meer specifieke dit en deze worden slechts bij uitzondering herhaald. Opvallend is het hoge aantal verdubbelingen van dat ten opzichte van die: dat strookt niet met de frequenties van de bijbehorende lidwoorden. Voor een deel kan het misschien verklaard worden door zinnen als Ik denk dat dat klopt, maar meer gedetailleerd onderzoek zou moeten uitwijzen of dat zo is.

Meer onderzoek

Het is weer een klein en behoorlijk oppervlakkig onderzoekje (net als bij difficulteren), maar het laat toch een paar interessante dingen zien. Zo komen aanwijzend voornaamwoord- en lidwoordverdubbelingen behoorlijk vaak voor. Veel vaker dan ik had gedacht in ieder geval. Bovendien komen verdubbelingen vaker voor bij het onbepaalde lidwoord en de onbepaaldere aanwijzende voornaamwoorden. Daarmee is de kous niet af. Om in een goede wetenschappelijke traditie te besluiten: er moet meer onderzoek worden gedaan. Zijn er bijvoorbeeld nog nadere patronen te bespeuren in het gebruik? Welke woorden volgen op de verdubbelingen? Zijn er nog effecten van genre? Komen verdubbelingen bijvoorbeeld meer voor in informelere situaties (je zou denken van wel)? Sowieso ben ik van mening dat lidwoorden nog wel wat meer onderzoek verdienen. Geïnteresseerden kunnen zich te allen tijde bij ondergetekende vervoegen.

De popularisering van wetenschap moet op de schop

Gisteren schreef Maarten Keulemans een opinieartikel in De Volkskrant, getiteld Wetenschap, neem de bloggende wetenschapper eens serieus. Zijn belangrijkste punt: bij al dat gepraat over ‘maatschappelijke impact’ van wetenschap worden bloggers vergeten. Dat is zonde, en daar moet iets aan veranderen. Wetenschapsbloggers leveren vaak een geweldige bijdrage aan het publieke debat, ze zijn kritisch, delen kennis, geven inzicht in de wetenschap, en doen dat allemaal gratis en voor iedereen toegankelijk. Ik kan me alleen maar aansluiten bij Keulemans’ stuk. Ik zou zelfs verder gaan: de hele manier waarop er op dit moment wordt omgegaan met popularisering door wetenschappers moet veranderen.

Doorgaan met het lezen van “De popularisering van wetenschap moet op de schop”