Opvallend taaladvies (5): meer beeldspraak!

In deze fase van mijn onderzoek lees ik nog steeds de ene taaladviesgids na de andere. In die gidsen staat allerlei moois: grappige voorbeelden, interessante observaties en opvallende taal. Ik geef met liefde een bloemlezing uit alles wat ik vind. Vandaag nog weer iets over de schitterende beeldspraak die ik tegenkom.

Eerder schreef ik al eens over de beeldspraak bij Haje. Hij gebruikt nogal kleurrijke vergelijkingen om taalvormen af te keuren. Hij is echter zeker niet de enige (hoewel er wel ook weer een voorbeeld uit zijn pen is!). Anderen doen het net zo goed, en verzinnen ook vreemde vergelijkingen. Lees mee en huiver.

Chemiker evenals techniker, vooral in tandtechniker, logiker, praktiker exemplaren uit een duitsch houtenklazengesticht. Het Nederlands aanvaardde technicus, chemicus enzovoort. Technist, vergelijk chemist, had geen bezwaar gegeven.
Wij bevelen den taalbeulen nog bloemikers en drogikers aan.(Haje 1932)

Psychologen mogen trachten de verklaring ervan te geven, maar het is een feit, dat vele mensen, die in het dagelijks leven de traditionele “zachtmoedigheid van het lam” vertonen, ware bestieën van wreedheid worden, zodra zij aan het schrijven gaan, en zich dan niet ontzien, een levend mens op de snijtafel te leggen en in mootjes te verdelen!”(Van Wageningen 1941:58)

Een zeer ouwe, droge, taaie koe uit een sloot vol haat is groter dan of groter als. (Veering 1959:114)

‘Via is een machtige woekerplant geworden.” En een pagina later: “Op de via-song zullen we maar het lievelingschanson ‘er­gens’ laten volgen.” (Dezaire 1964:172-173)

Een iets ander voorbeeld kwam ik tegen in Damsteegt 1964 (8). Het gaat me hier niet om de afkeuring zelf, maar om de geweldig oubollige voorbeeldzin.

Afwezig. In de betekenis ‘verstrooid’, ‘peinzend’, ‘mijmerend’ een gallicisme of anglicisme (Eng.: absently, absent-minded); niet juist is dus:

Hij zat met een afwezig gezicht voor zich uit te staren.
„Je leutert”, zei Duke, terwijl hij afwezig een rumboon in z’n mond stak.

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit niet uit een of andere roman komt, maar ik heb tot nu toe geen geluk gehad. Mocht iemand me uit de brand kunnen helpen door de bron te kennen, dan graag. Mijn zoekopdracht leverde namelijk een … interessant alternatief op.

Screenshot 2017-10-05 18.31.02

Postscriptum Het vreemde woord bestieën dat Van Wageningen gebruikt lijkt een germanisme: Duden noemt bestie – roofdier, onmens. In het Nederlands lijkt dit woord met een aan hapax grenzende zeldzaamheid voor te komen (dank Gaston voor het bemerken van de vreemdheid van dit woord).

Hoe doe ik onderzoek (1) Temporele afbakening

Valorisatie wordt steeds belangrijker in de wetenschap. Je moet mensen vertellen wat je aan het doen bent. Veel valorisatie richt zich echter vooral op de inhoud van onderzoek. De laatste tijd wordt er ook opgeroepen (bijvoorbeeld hier en hier) om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van een wetenschappelijk project. Welke methodologie wordt er gevolgd, welke keuzes worden er gemaakt: hoe doen we onderzoek? Echte open-source wetenschap. Ik ga hier graag in mee: ik vind methodologie namelijk interessant, en ik vind het heel zinnig als mensen hier meer inzicht in krijgen. Daarom schrijf ik deze serie over de methodologie van mijn onderzoek. Soms zullen de overwegingen wat algemener zijn, soms zijn ze heel specifiek. Vandaag direct een belangrijke kwestie: temporele afbakening.

In de grond is mijn onderzoek een comparatieve studie. Op het meest elementaire niveau komt mijn werk op het volgende neer: ik neem twee collecties data. Die vergelijk ik, en ik probeer relaties tussen ze te identificeren. Vervolgens probeer ik die relaties of het gebrek daaraan te verklaren. Dat klinkt heel simpel, en op dit niveau is het dat ook. Maar als je inzoomt zijn er natuurlijk allerhande moeilijkheden en methodologische kwesties. De eerste kwestie die ik moest oplossen, maar waar ik blijvend mee bezig ben, is afbakening.

In fase 1 bestudeer ik de ontwikkeling van taaladvies in de 20e eeuw. Kijk, daar heb je al meteen minstens twee afbakeningsproblemen. Ten eerste is er het punt van de 20e eeuw. Een temporele afbakening is een lastig iets: wat is logisch? In mijn onderzoeksvoorstel staat dat ik onderzoek doe naar de periode 1805 tot nu. Dat is om meerdere redenen een logisch punt. Ten eerste situeert Daniel Baggioni (geciteerd in Burke 2004:10) een van zijn ‘ecolinguistic revolutions’ (grote omwentelingen in de taal in Europa) in 1800 (de andere twee zijn in 1500 en 2000). Het is natuurlijk ook historisch een belangrijk moment, zo na de Franse Revolutie. Meer specifiek kwamen in 1804 en 1805 de officiële spelling van Siegenbeek en de officiële grammatica van Weiland uit. Een officiële spelling zou niet zo bijzonder blijken, daarvan zijn er inmiddels nog wel een paar verschenen. Maar een officiële grammatica, daarvan is de Nederduitsche Spraakkunst van Petrus Weiland de laatste.

Het feit dat de grammatica van Weiland officieel door de Nederlandse staat erkend is, geeft ook theoretisch een mooi ijkpunt. Het past namelijk mooi in het theoretisch model over taalstandardisatie van Milroy en Milroy (2012:22-23). Hierin is ‘codificatie’ het een-na-laatste stadium, waarna het laatste stadium, prescriptivisme, volgt. Simpel gezegd is codificatie het moment waarop de regels van een taal expliciet worden vastgelegd, en is prescriptivisme het stadium waarin de ‘officiële’ normen vervolgens worden herhaald en gehandhaaft. Je zou kunnen beargumenteren dat dit laatste stadium aanbrak met de publicatie van Weiland’s grammatica. Dat was immers het moment van codificatie. Let wel: dit betekent niet dat de standaardtaal toen ook door iedereen (of zelfs door een minderheid van mensen) werd gebruikt, maar wel dat er een vastgelegde norm was met een bepaalde officiële status. Overigens: hoe de norm van Weiland en Siegenbeek zich verspreidde is een fascinerende vraag, waar gelukkig in het Leidse Going Dutch-project onderzoek naar wordt gedaan.

1805 leek dus een mooi moment om te beginnen. Helaas bleek dat toch om twee redenen geen haalbaar idee. De eerste reden was de omvang van het onderzoek. Ik ben nu een maand of 10 bezig met het in kaart brengen van taaladvies, maar ik ben nog nauwelijks begonnen met de 19e eeuw. Als ik daar nu nog mee aan de slag zou gaan, dan ben ik een onevenredig deel van mijn promotietraject kwijt aan het in kaart brengen van taaladvies. Maar ik wil niet alleen beschrijven: ik wil verder! Ik wil verklaren, ik wil begrijpen. Het is een vervelende keuze, maar een waar ik niet aan ontkom: ik moet verder.

De tweede reden is dat de aard van taaladvies anders lijkt te zijn in de 19e en de 20e eeuw. In de 19e eeuw (en eerder) verschenen er vooral normatieve grammatica’s: die bevatten beschrijvingen van het Nederlands als systeem, met her en der een uitspraak over wat goed en fout is. Vanaf het begin van de 20e eeuw echter (een 19e eeuwse uitzondering zoals Siegenbeek 1847 daargelaten) begon er een ander type taaladvies te verschijnen. Daarin werd veel meer gefocust op juist die specifieke stukjes taal waar men ongewenste variatie tegenkwam. De vorm veranderde. Ik wil me op die traditie richten. Ik weet dat die voortkomt uit eerder werk, maar nogmaals: ik kan niet alles doen. De taaladviestraditie in de 20e eeuw is nauwelijks als zodanig bestudeerd. Daar ligt dus nog interessant materiaal voor mij.

Er is dus wel iets te zeggen voor de keuze om het begin van mijn project in 1900 te leggen. Inmiddels heb ik in overleg met mijn promotors dan ook besloten me hier op te richten. Na één luttel jaar heb ik dus al een hele eeuw van mijn onderzoeksobject geschaafd. Ik denk dat het een goede keuze is, maar het lijkt wel radicaal. En je kunt er, denk ik, zeker kritiek op hebben. Dat kun je denk ik altijd hebben op methodologische keuzes. Ik denk echter dat ik me de keuze kan verdedigen. Uiteindelijk leidt dit me naar een beter proefschrift en beter afgebakend onderzoek. En dat is tenslotte het doel.