Ere wie ere? Samenwerking in academia

Gisteren kreeg ik een mailtje van een collega, met wie ik een aantal jaar geleden een persoonlijk conflict had. Ik had deze collega recent om toegang tot een database gevraagd, maar dat weigerde deze. Een van de argumenten hiervoor was dat we eerst eens moesten praten, nu we toch op een bepaalde manier gingen samenwerken. Ik was hier behoorlijk verbaasd over: is het gebruikmaken van iemands database een vorm van samenwerken? Deze vraag vormde een mooie aanleiding om eens te reflecteren op de verschillende aspecten van samenwerking in academia.

Samen is meer is beter

Laat ik vooropstellen dat ik samenwerking, academisch of anders, een van de leukste dingen op aarde vind. Echt waar. Je product wordt er bijna altijd beter op, het is gezellig, het is inspirerend, het geeft enorm veel energie. Ik schrijf nu bijna 5 jaar met Sterre Leufkens bijvoorbeeld, aan Milfje en aan verschillende andere dingen (interviews, boeken). Wat begon als lollig samen verhaaltjes schrijven heeft zich zomaar ontwikkeld tot een van de belangrijkste en vruchtbaarste relaties die ik ooit heb gehad. Op academisch vlak zijn er mensen als Folgert Karsdorp en Viktorija Kostadinova, met wie ik aan fijne papers heb gewerkt, en die me om onduidelijke redenen echt serieus nemen. Recent heb ik aan een projectje over slogans gewerkt met mijn hilarische collega’s Joske Piepers, Sander Lestrade en Peter de Swart, en er staan plannen op stapel voor komend jaar met mensen als Nicoline van der Sijs en Roel Smeets. Ik wil maar zeggen: ik ben echt enorm gelukkig dat ik kan samenwerken met geweldige academici.

Dat ik samenwerken zo leuk vind heeft iets ironisch. Het academische leven is namelijk zeker niet een grote aaneensluiting van samenwerkingen. Sterker nog, je werkt volgens mij een stuk meer alleen dan samen. Ik heb het afgelopen jaar bijvoorbeeld eindeloos in catalogi boeken opgezocht, in benauwde ozonhokjes gescand, en achter m’n laptopje data in bestandjes gepropt. Alleen. Tot op zekere hoogte is dit de norm: uiteindelijk staat dat proefschrift op mijn naam, dus ik moet het werk ervoor doen. En weet je wat het raarste is: ik vind het niet eens erg. Hoewel het eenzame studeren een van de redenen was dat ik besloot een punt te zetten achter mijn muziekcarrière, vind ik het nu vaak heerlijk om lekker een dag alleen op m’n kamer te zitten zwoegen zonder een mens te spreken. Maar dat geheel ter zake.

Ere wie ere

Wat wel lastig is aan al dat samenwerken is hoe je omgaat met de credits. Toekenning van eer is een van de belangrijkste pijlers van de wetenschap (de andere lijkt me peer review), maar er zijn geen strak omlijnde protocollen om je aan te houden. Grofweg kun je credits op drie manieren toekennen: door een auteurschap, door een citatie, en door een plaats in de acknowledgements of het dankwoord. Die laatste vorm is vaak vooral een gebaar: in een academisch artikel staat ergens in een voetnoot dat die en die je hebben geholpen met feedback bijvoorbeeld. Het is leuk, maar je hebt er academisch gezien niks aan.

Aan een auteurschap daarentegen heb je wel wat. Je deelt dan de credits voor de productie van bijvoorbeeld een artikel. Je kunt iemand een auteurschap geven wanneer diegene echt actief heeft meegewerkt aan het product, door mee te schrijven of te denken, of door een experiment af te nemen. Hoeveel je daarvoor precies moet doen is echter onduidelijk, en wisselt bovendien enorm per vakgebied. Ik ken wel voorbeelden waarbij een hoge pief op een paper wil, ook al heeft hij nauwelijks iets gedaan. In sommige vakgebieden is het bovendien gebruikelijk bijvoorbeeld je promotor altijd op te voeren, opnieuw ook in situaties waarin diegene niks heeft gedaan. Het is een moeras: niet zomaar iedereen opvoeren, maar ook belangrijke bijdragers niet vergeten.

De derde vorm van credits is makkelijker: je kunt gewoon zeggen dat iemand anders al iets heeft gedaan, en dan zit je goed. Ik doe het zelf heel veel in deze blogs, en ook in artikelen. Je hoeft de mensen die je citeert niet te kennen, je hoeft ze niet gesproken te hebben, ze hoeven niet van je bestaan te weten, ze kunnen zelfs dood zijn. Dat is best een vreemd uitgangspunt, maar het is wel een manier om erkenning te geven aan anderen die aan jouw onderwerp hebben gewerkt. Zeker omdat je als academicus soms wordt afgerekend op citaties is dit ontzettend belangrijk. Maar van een samenwerking is in dit geval geen sprake.

Is data delen samenwerking?

En daarmee komen we terug bij de eerste vraag: is het delen van data een vorm van samenwerking? Dat hangt er maar net vanaf. Stel dat ik helemaal in mijn eentje een experiment draai en analyseer. Als iemand anders dan mijn data wil gebruiken, dan kan er sprake zijn van een samenwerking. Maar daar gaat het om dit geval niet om. Het gaat hier om een verzameling bronnen, die allemaal los beschikbaar zijn, maar waarvan een deel in een database is gestopt. Die database is gewoon online beschikbaar, met de expliciete doelgroep ‘andere onderzoekers’. Ik werk best veel met dit soort databases, en de vorm van eertoekenning heb ik altijd vrij eenvoudig gedaan: nummertje 2, een citaat. Maar niet iedereen denkt er blijkbaar zo over, en bij gebrek aan strakke regels is dat misschien niet zo gek. Ik kan er best begrip voor opbrengen dat het steekt als jij ergens hard voor hebt gewerkt, terwijl iemand zomaar met jouw harde werk aan de slag gaat. En toch: zo is het wetenschappelijk bedrijf ingericht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s